ECLI:NL:RBZWB:2024:8905
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen gedoogplicht voor onderzoek hoogspanningsstation
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen een door de minister opgelegde gedoogplicht op zijn perceel voor het uitvoeren van onderzoek ten behoeve van de aanleg van een hoogspanningsstation. De gedoogplicht is gebaseerd op artikel 10.20 van de Omgevingswet en is opgelegd na een verzoek van TenneT, die het onderzoek wil uitvoeren om de definitieve ligging van het station en kabeltracé te bepalen.
Verzoeker betoogt dat onvoldoende redelijk overleg heeft plaatsgevonden en vreest onomkeerbare schade aan zijn perceel door de onderzoekswerkzaamheden, vooral omdat deze in de winter plaatsvinden. De minister stelt dat wel een serieuze poging tot overeenstemming is gedaan en dat de schade niet voldoende is onderbouwd. De voorzieningenrechter constateert dat er meerdere gesprekken en een aangepaste overeenkomst zijn aangeboden, maar dat verzoeker weigerde te tekenen.
De voorzieningenrechter weegt het algemene belang van een goede en tijdige energievoorziening zwaarder dan het belang van verzoeker bij het voorkomen van mogelijke schade. De werkzaamheden zijn tijdelijk en van beperkte omvang. Er is ook voorzien in schadevergoeding indien schade ontstaat. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de gedoogplicht wordt afgewezen vanwege het zwaarder wegen van het algemene belang bij energievoorziening.