ECLI:NL:RBZWB:2024:8921
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens juiste afschrijvingsmethode en waardebepaling
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.130 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2024 behandeld en beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd en het juiste bedrag betreft.
De kern van het geschil betreft de afschrijvingsmethode, de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en de waardevermindering wegens schade. Beide partijen hebben taxatierapporten overgelegd met verschillen in de hoogte van de schade. De rechtbank oordeelt dat de afschrijving kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode omdat sprake is van schade, en stelt de historische nieuwprijs vast op € 43.814. De handelsinkoopwaarde wordt vastgesteld op € 12.881, conform de gebruikte koerslijst van Xray.
De rechtbank acht de door belanghebbende opgevoerde hogere schade niet aannemelijk en wijst een waardevermindering wegens schadeverleden af wegens onvoldoende onderbouwing. De verschuldigde BPM wordt vastgesteld op € 4.597, wat gunstiger is dan de forfaitaire afschrijvingstabel. Na verrekening van reeds betaalde BPM wordt de naheffingsaanslag verminderd naar € 3.932.
Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 375 voor rekening van de inspecteur en € 125 voor rekening van de Staat. De inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 2.998 en het griffierecht van € 365 wordt aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 3.932 en belanghebbende ontvangt immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.