ECLI:NL:RBZWB:2024:8926

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
23/2772
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 8.538 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betreft de juiste afschrijvingsmethode, de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde en de waardevermindering door schade.

De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport van belanghebbende niet betrouwbaar is vanwege afwijkingen in CO2-uitstoot, historische nieuwprijs en gebruikte koerslijst. Ook de koerslijstmethode is niet toepasbaar. Daarom moet de forfaitaire afschrijvingstabel worden gebruikt, wat leidt tot een hogere verschuldigde BPM dan de naheffingsaanslag.

Belanghebbende heeft daarnaast een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, maar de rechtbank wijst dit af omdat de inspecteur geen bewuste standpuntbepaling heeft gedaan. De naheffingsaanslag wordt gehandhaafd.

Verder is de redelijke termijn voor afhandeling van het bezwaar met vier maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 500, waarvan de helft voor rekening van de inspecteur en de helft voor de Staat komt. Proceskosten voor het verzoek worden eveneens deels vergoed.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding en een deel van de proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 april 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.538.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als waarnemer van de gemachtigde mr. M.U. Sahin en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 4 april 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Volvo S60 met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.245.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] B.V. van 31 maart 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 12.482, gebaseerd op een koerslijst van Eurotax. De taxateur heeft een schadebedrag van € 8.330 geconstateerd en daarvan € 7.081 als waardevermindering op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Daarnaast heeft hij een bedrag van € 2.500 wegens ‘geen oordeel tellerstand RDW’ op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 2.902.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 12 april 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 12.559 aan de hand van een koerslijst van Eurotax. De hertaxateur heeft een schadebedrag geconstateerd en daarvan € 927 (72%) op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 11.632.
De taxateur van DRZ heeft in zijn rapport onder opmerkingen het volgende vermeld:
“De aangever heeft gekozen voor een Volvo S60 2.0 T5 Momentum, gezien de opties die op het voertuig zitten komt DRZ uit op een Volvo S60 2.0 T5 Summum. Het voertuig is geleverd met een 2497cm3 (187kW) motor, deze motor is niet leverbaar geweest in Nederland op DET. DZR heeft gekozen voor een 1969 cm3 motor met 180 kW, de aangever heeft dit ook gedaan. Tevens is het voertuig volgens de VIN gegevens een T5 AWD, deze uitvoering is ook niet leverbaar geweest in Nederland op DET. DRZ heeft gekozen voor een FWD (let op Co2), hier heeft de aangever ook voor gekozen.”
3.3.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 10.783. Met dagtekening 2 september 2022 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 8.538.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden gevolgd. Verder is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en de waardevermindering wegens schade.
Afschrijvingsmethode
4.1.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
4.2.
Beide taxateurs hebben schade aan de auto geconstateerd, zodat in beginsel voor de afschrijving van de auto de taxatiemethode zou kunnen worden toegepast. De rechtbank is in het onderhavige geval echter van oordeel dat het taxatierapport van belanghebbende zodanige gebreken bevat dat deze buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het taxatierapport uitgaat van een CO2-uitstoot van de auto van 235 gram per kilometer. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat zij het er over eens zijn dat de werkelijke CO2-uitstoot van de auto 252 gram per kilometer bedraagt. Ook is de historische nieuwprijs van € 54.360 te laag gelet op de vastgestelde historische bruto Bpm € 50.413. Verder is in de taxatie een koerslijst gehanteerd die op relevante punten afwijkt van de auto, maar zijn hier geen correcties voor gemaakt. Er is gekozen voor de koerslijst van een auto die qua opties, motor en uitvoering veel afwijkt van de auto (zie ook de opmerkingen van DRZ onder 3.2.). De historische nieuwprijs zoals vermeld in de koerslijst (€ 45.595) is zelfs lager dan de historische bruto Bpm van de auto alleen al, wat erop wijst dat de referentieauto’s op relevante punten afwijken van de auto. De rechtbank is daarom van oordeel dat het taxatierapport van belanghebbende buiten beschouwing gelaten moet worden.
4.3.
Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode.
4.4.
Aangezien de auto zelf niet voorkomt op een koerslijst en gelet op de aanwezige verschillen tussen de gehanteerde koerslijst en de auto, is de rechtbank van oordeel dat ook de koerslijstmethode geen toepassing kan vinden. Alles in overweging nemende is de rechtbank daarom van oordeel dat voor de auto de afschrijving moet worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, zoals de inspecteur ter zitting terecht heeft gesteld.
Vertrouwensbeginsel
4.5.
Belanghebbende heeft ter zitting voor dat geval een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en stelt dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag wel is uitgegaan van een koerslijst.
4.6.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur vertrouwen kan hebben gewekt wanneer belanghebbende redelijkerwijs de indruk mocht hebben dat de inspecteur bewust een standpunt had bepaald. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De enkele omstandigheid dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een koerslijst van Eurotax is onvoldoende om te spreken van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur. Naar het oordeel van de rechtbank mag de inspecteur in dit geval een ander standpunt innemen met betrekking tot de afschrijvingsmethode. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet.
Hoogte naheffingsaanslag
4.7.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de afschrijving moet worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. De afschrijving bedraagt in dat geval 77,664%. De historische bruto Bpm, die niet in geschil is, bedraagt € 50.413 zodat de verschuldigde Bpm € 11.260 bedraagt. Dit is een hoger bedrag dan waar de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag vanuit is gegaan. De rechtbank laat de naheffingsaanslag daarom in stand.
Immateriële schadevergoeding
4.8.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om toekenning van schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2024. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vier maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500. Omdat de bezwaarfase afgerond acht maanden heeft geduurd en daarmee 2 maanden te lang komt € 250 (2/4) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 250) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 218,75. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding niet is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [3]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 109,38 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 109,37 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier op 23 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.