ECLI:NL:RBZWB:2024:8957

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
24 december 2024
Zaaknummer
BRE_24_5398
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22 Wet WOZArt. 24 Wet WOZ
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing op WOZ-waardeaanvraag

Belanghebbende heeft op 5 maart 2024 een brief gestuurd met het verzoek om de WOZ-beschikking voor 2024 op een bepaald bedrag vast te stellen. De heffingsambtenaar heeft vervolgens op 31 maart 2024 een beschikking afgegeven waarin de waarde op een hoger bedrag werd vastgesteld, waarmee het verzoek van belanghebbende feitelijk is afgewezen.

Belanghebbende stelde de heffingsambtenaar op 13 mei 2024 in gebreke en diende op 1 juli 2024 beroep in wegens het vermeende niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De rechtbank oordeelt dat de brief van 5 maart 2024 als aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro moet worden gezien en dat met de beschikking van 31 maart 2024 op die aanvraag is beslist.

Omdat de beslissing binnen de wettelijke termijn is genomen, is er geen sprake van niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Tevens wordt het verzoek om een dwangsom afgewezen omdat de ingebrekestelling pas na de beschikking is verzonden.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de WOZ-beschikking tijdig is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5398

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 5 maart 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. De heffingsambtenaar dient binnen acht weken na het begin van het kalenderjaar een waardebeschikking als bedoeld in artikel 22 van Pro de Wet WOZ af te geven. [2] Belanghebbende heeft in zijn brief van 5 maart 2024 verzocht om de WOZ-beschikking 2024 vast te stellen op een bepaald bedrag. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2024 de waarde (op een hoger bedrag) vastgesteld.
3.1.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar met een brief van 13 mei 2024 in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft daar op 14 mei 2024 op gereageerd.
3.2.
Belanghebbende heeft bij brief van 1 juli 2024 beroep ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem nog niet heeft beslist op de aanvraag van 5 maart 2024.
3.3.
De rechtbank overweegt dat als de brief van belanghebbende van 5 maart 2024 moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, dan is met de beschikking van 31 maart 2024 beslist op die aanvraag. Hieraan doet niet af dat de heffingsambtenaar ook ambtshalve gehouden is om de WOZ-beschikking vast te stellen. Door de WOZ-beschikking op een hoger bedrag vast te stellen dan is verzocht, is het verzoek van belanghebbende afgewezen. Van niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan is om die reden geen sprake. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
3.4.
Belanghebbende heeft verzocht een dwangsom toe te kennen. Omdat de ingebrekestelling is verzonden nadat de WOZ-beschikking is afgegeven, bestaat er geen recht op een dwangsom.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een dwangsom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 19 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 24 van Pro de Wet WOZ.