De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 31 december 2024 uitspraak gedaan over herhaalde verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening door verzoekers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.
Eerder, op 13 december 2024, was reeds een uitspraak gedaan waarbij de voorzieningenrechter zich deels onbevoegd verklaarde over het schadeverzoek en de overige verzoeken afwees wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Verzoekers stelden dat cruciale stukken, met name de besluiten van de SVB van 20 maart 2024, ontbraken bij eerdere verzoeken en dat zij geen hersteltermijn hadden gekregen om deze in te dienen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat deze besluiten reeds waren overgelegd en betrokken bij de eerdere overwegingen. Er waren geen ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak en ook geen belangrijke wijziging van feiten of omstandigheden. Daarom was er geen reden om het eerdere oordeel te herzien.
De voorzieningenrechter wees het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af en verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over de geclaimde schade gerelateerd aan beslissingen van de zorgverzekeraar.