Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het rijden op een voetpad in Breda op 30 juli 2022. Betrokkene voerde aan dat zij vanwege een dringende sanitaire noodzaak handelde en dat haar schoonmoeder, die afhankelijk is van een rolstoel, mee was in de auto.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting was betrokkene en haar gemachtigde afwezig. De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant en een foto.
De kantonrechter oordeelde dat er sprake is van schending van de hoorplicht omdat betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld gehoord te worden bij het administratief beroep bij de officier van justitie. Daarnaast is de redelijke termijn van behandeling van de zaak met ruim drie maanden overschreden. Beide schendingen leidden tot matiging van de boete met 25% elk, waardoor de boete in totaal met 50% werd gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 50% wegens schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.