Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren op een vergunninghoudersparkeerplaats zonder vergunning op 22 oktober 2022 in Breda. Betrokkene stelde dat er geen sprake was van parkeren, maar van laden en lossen, en voerde aan dat de verbalisant onvoldoende pardontijd had gegeven.
De officier van justitie stelde dat de gedraging vaststond op basis van foto's en de verklaring van de verbalisant. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende bewijs vormt en dat betrokkene geen specifieke feiten aanvoerde die twijfel rechtvaardigen.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met ruim een week was overschreden. Daarom matigde de kantonrechter de boete met 25%. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend aan betrokkene.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd: de boete werd verlaagd, en het teveel betaalde bedrag aan zekerheid werd terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter M.A.V. van Aardenne op 21 november 2024.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de gedraging is vastgesteld.