Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor parkeren op een plek met een ander doel dan aangegeven op de Kronenburgwerf te Breda op 27 maart 2022. Betrokkene stelde dat de boete onterecht was omdat het verkeersbord slechts op twee van de vier parkeervakken van toepassing zou zijn, en dat de overige plekken reguliere parkeerplaatsen zijn waar elektrische en niet-elektrische auto's mogen staan.
De officier van justitie handhaafde de boete, maar de kantonrechter oordeelde op basis van de verklaring van de verbalisant en de fotobewijzen dat de gedraging wel degelijk had plaatsgevonden. De kantonrechter stelde vast dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, omdat de boete op 20 april 2022 werd opgelegd en de uitspraak pas op 21 november 2024 volgde.
Daarom werd de boete gematigd met 25%. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag en tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. Het beroep werd aldus gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en betrokkene krijgt proceskostenvergoeding.