Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het rijden op het fietspad aan de Visserstraat te Breda op 25 oktober 2022. Hij stelde dat hij geen bord had gezien en dat het een vergissing was. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar betrokkene ging in hoger beroep bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de overtreding vaststond op basis van de verklaring van de verbalisant en een foto. Betrokkene voerde geen feiten aan die twijfel aan deze verklaring rechtvaardigden. De boete werd terecht opgelegd, maar vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met 6 dagen werd een matiging van 25% toegepast.
Daarnaast was de hoorplicht geschonden omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om gehoord te worden bij het administratief beroep. Dit leidde tot vernietiging van de eerdere beslissing en een extra matiging van 25%. De boete werd uiteindelijk gematigd tot € 84,38 plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag werd terugbetaald.
Uitkomst: De boete werd gedeeltelijk gematigd vanwege schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.