Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het fietspad op de Visserstraat te Breda. Hij voerde aan dat de boete onredelijk was vanwege een grote verbouwing en een bestelwagen achter hem, waardoor hij zich genoodzaakt voelde door te rijden. De officier van justitie stelde dat de gedraging vaststond en verzocht om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs leverde voor de gedraging en dat betrokkene geen feiten aanvoerde die dit betwistten. De boete was terecht opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar voor de procedure was overschreden, waardoor matiging van de boete met 25% passend was.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd, de boete gematigd tot €112,50 plus administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag van €37,50 werd terugbetaald aan betrokkene.
Uitkomst: De boete wegens rijden op het fietspad wordt met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.