ECLI:NL:RBZWB:2024:9520

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2024
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
10194212 MB VERZ 22-1030
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4:84 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens rijden op fietspad met matiging boete

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het fietspad aan de Willem II-straat te Tilburg op 5 juni 2021. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de boete onterecht was opgelegd omdat het bord niet zichtbaar was en er sprake was van een fuik zonder vooraankondigingen. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene zich tot de kantonrechter wendde.

De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaring van de verbalisant en de foto in het dossier voldoende blijkt dat de overtreding is begaan. De aangevoerde bezwaren van betrokkene gaven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de verklaring. Wel was er sprake van overschrijding van de redelijke termijn van berechting, aangezien de procedure meer dan anderhalf jaar duurde na oplegging van de boete.

Daarom werd het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene voor de kantonrechterfase. De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd.

Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd tot € 112,50 plus administratiekosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10194212 \ MB VERZ 22-1030
CJIB-nummer: 9062 5422 4209 2530
uitspraakdatum: 16 december 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 16 december 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Willem II-straat te Tilburg op 5 juni 2021 om 20:00 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift aangevoerd dat op de foto’s te zien is dat hij de straat uit rijd en nergens te zien is dat betrokkene de straat in rijd. Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete onterecht is opgelegd. De gemachtigde stelt dat de officier van justitie op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet handelen overeenkomstig de beleidsregels die zijn neergelegd in de Beleidsregels en het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (hierna: Beleidskader). Het Beleidskader schrijft onder meer voor dat er een plattegrond dient te worden overgelegd, met daarop alle borden en vooraankondigingen. Daarnaast bepaalt het Beleidskader dat er geen sprake mag zijn van een fuik. Voorkomen moet worden dat bestuurders bijna gedwongen worden de geslotenverklaring te negeren. Een fuik kan voorkomen worden met vooraankondigingen. Daarbij moet een bestuurder kunnen keren bij of na de vooraankondiging. Verder moet er een foto zijn van de gedraging waarop zichtbaar is dat het voertuig het bord is gepasseerd. Is het bord op de foto niet zichtbaar, dan moet de overtreding worden onderbouwd aan de hand van schouwrapporten. Gemachtigde stelt dat het betreffende bord niet zichtbaar is op de foto. Gemachtigde stelt dat de dagtekeningen van de schouwrapporten meer dan een maand uit elkaar liggen. Dat betekent dat niet minimaal maandelijks een omgevingsschouw heeft plaatsgevonden, zodat in strijd is gehandeld met het Beleidskader geslotenverklaringen en Artikel 4:84 Awb Pro. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat betrokkene geen G7 bord is gepasseerd. Tot slot is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop dient de sanctie met 25% gematigd te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd dat de gedraging kan worden vastgesteld. Het dossier bevat een foto van de gedraging. Voorts bevat het dossier, buitenom de verklaring van de verbalisant uit het zaakoverzicht, een schouwrapport van 14 mei 2021 en 15 juni 2021, waarin wordt aangegeven dat de bebording en herhalingsborden duidelijk zichtbaar waren. Wel heeft de zittingsvertegenwoordiger gezien dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor het beroep gedeeltelijk gegrond dient te worden verklaard en het sanctiebedrag met 25% gematigd dient te worden. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding heeft de zittingsvertegenwoordiger verzocht dat dit enkel voor de kantonfase dient te worden toegekend.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto in het dossier - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 30 juni 2021 en is de redelijke termijn dus met anderhalf jaar overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd.
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend voor de fase bij de kantonrechter:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- =
€ 437,50
totaal € 875,00

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 112,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 37,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 875,00.
‒ verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2024.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: