Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een opvolgende rechterlijke machtiging voor opname en verblijf van cliënt met een verstandelijke beperking en psychische stoornis. Cliënt ervaart het huidige verblijf als onaangenaam en wenst meer vrijheden en een andere zorgaccommodatie. De gedragsdeskundige en betrokken bestuurders benadrukken de noodzaak van verplichte zorg vanwege ernstig nadeel door middelengebruik en psychische problematiek.
Cliënt vertoont regelmatig wegloopgedrag en heeft in het verleden delicten gepleegd om drugs te verkrijgen. Ondanks het ontbreken van een onderliggende zorgmachtiging is dwangmatige zorg toegepast om cliënt te behandelen. De moeder en curator erkennen de situatie en wensen, maar wijzen op het gebrek aan alternatieve zorglocaties die cliënt accepteren.
De advocaat van cliënt erkent de noodzaak van verplichte zorg, maar betwist de termijn van 24 maanden vanwege een aanmerkelijke termijnoverschrijding en pleit voor een machtiging van maximaal zes maanden. De rechtbank concludeert dat cliënt lijdt aan een verstandelijke handicap met psychische stoornissen die leiden tot ernstig nadeel en dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn. De machtiging wordt daarom voor zes maanden verleend, met afwijzing van het meer of anders verzochte.
Uitkomst: De rechtbank verleent een opvolgende rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden en wijst het verzoek tot een langere termijn af.