ECLI:NL:RBZWB:2025:1007
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning aan de hand van vergelijkingsmethode
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €273.000 per 1 januari 2022, omdat hij meent dat de waarde te hoog is en maximaal €200.000 zou moeten bedragen.
De rechtbank beoordeelt de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt vastgesteld door vergelijking met verkochte referentiewoningen rond de waardepeildatum. De heffingsambtenaar heeft vijf referentiewoningen gebruikt die qua type, ligging en bouwperiode voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar op voldoende wijze rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, onder meer door indexering en correcties op grond van KOUDV-factoren (kwaliteit, onderhoud, voorzieningen). De stellingen van belanghebbende over gebreken en waardeverlagende aspecten zijn onvoldoende onderbouwd met bewijs zoals foto’s of taxatierapporten.
De WOZ-waardes van andere woningen in de straat zijn volgens de rechtbank niet relevant omdat de waardebepaling moet zijn gebaseerd op marktgegevens, namelijk verkoopprijzen. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde zorgvuldig heeft vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €273.000 wordt gehandhaafd.