Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
feit 2: het medeplegen van het zich verschaffen van de toegang tot het besloten haventerrein van [B.V.] in [plaats 1] op 21 januari 2024 door middel van braak en/of inklimming.
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
van een middelals bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet,
en eenvervoermiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededader(s), wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
een auto/voertuig voorhanden te hebben ten behoeve van het vervoer van zichzelf en mededaders naar de omgeving van [B.V.] en/of het (verdere) vervoer van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en
terrein van [B.V.] , door middel van inklimming.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
een werkstraf van 60 (zestig) uren;
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
30 (dertig) dagen;
een jeugddetentie van 71 (eenenzeventig) dagen, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaardendat verdachte tijdens de proeftijd:
* moet meewerken aan diagnostiek en de hieruit voortkomende adviezen, indien dit door de jeugdreclassering nodig wordt gevonden;
van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van
zich niet op te houden in de havens in Vlissingen en Rotterdam;
1 (een) week, met een totale duur van ten hoogste 3 (drie) maanden;
dadelijk uitvoerbaaris omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen;
verklaart verbeurdde inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: