De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen aan betrokkene. Het UWV had op 23 september 2022 besloten de uitkering te weigeren omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiseres, als bewindvoerder van betrokkene, maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 3 augustus 2023 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 14 februari 2025.
De rechtbank onderzocht of de medische beperkingen van betrokkene juist waren vastgesteld. Uit rapporten van verzekeringsartsen en aanvullende medische informatie bleek dat betrokkene weliswaar beperkingen heeft, maar niet voldoet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts b&b bevestigde het oordeel van de primaire arts en concludeerde dat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiseres voerde aan dat het onderzoek onvoldoende was en dat er geen contact was geweest met behandelaren, maar de rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de betrokkenheid van hulpinstanties niet leidde tot zwaardere beperkingen.
Ook de arbeidsdeskundige van het UWV stelde dat betrokkene geschikt was voor bepaalde functies, ondanks haar psychische problematiek. Eiseres betwistte dit, maar de rechtbank vond geen aanleiding om het oordeel te wijzigen. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze functies leidde tot minder dan 35%, waardoor de weigering van de WIA-uitkering terecht was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de proceskosten toe aan het UWV.