Verzoeker, algemeen directeur van een organisatieadviesbureau, kreeg zijn rijbewijs ongeldig verklaard door het CBR wegens alcoholmisbruik na een verkeersongeval met een hoog alcoholpromillage. Het CBR baseerde het besluit op een onderzoek door een psycholoog en psychiater, die concludeerden dat verzoeker alcoholmisbruik pleegde ondanks het ontbreken van een stoornis volgens DSM-5. Verzoeker maakte bezwaar en stelde dat het rapport gebreken vertoonde, met name dat verklaringen onjuist waren weergegeven en dat het correctierecht niet adequaat was toegepast.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had bij het rijbewijs vanwege zijn werk en dat het CBR het rapport zorgvuldig moest onderbouwen. Hoewel het CBR het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde de rechter vast dat nader bewijs over de juistheid van de verklaringen van verzoeker relevant kon zijn en dat het correctierecht breder moet worden uitgelegd dan het CBR deed.
Daarom werd het besluit van het CBR geschorst tot twee weken na de uitspraak in de hoofdzaak, zodat verzoeker voorlopig zijn rijbewijs kan behouden. Tevens werd het CBR veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is definitief en hoger beroep is uitgesloten.