ECLI:NL:RBZWB:2025:1091

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
10943511 \ MB VERZ 24-160
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Speekenbrink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard wegens ontbreken reële mogelijkheid tot staandehouding bij verkeersboete

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens 4 km per uur te hard rijden binnen de bebouwde kom. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.

De kern van het geschil betrof de vraag of er een reële mogelijkheid tot staandehouding was geweest. Volgens artikel 5 Wahv Pro moet de bestuurder worden staande gehouden om een boete op te leggen; alleen bij afwezigheid van die mogelijkheid mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd. De verbalisant had afgezien van staandehouding vanwege een mobiele radarcontrole.

De kantonrechter overwoog dat ook bij mobiele radarcontroles een reële mogelijkheid tot staandehouding kan bestaan. Omdat de officier van justitie geen aanvullend proces-verbaal kon overleggen dat duidelijk maakte dat staandehouding onmogelijk was, kon de gedraging niet worden vastgesteld. Daarom werd de boete aan de kentekenhouder ten onrechte opgelegd.

De kantonrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing en beval terugbetaling van de betaalde zekerheidstelling. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. Er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd wegens onvoldoende vaststelling van de gedraging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10943511 \ MB VERZ 24-160
CJIB-nummer : 1062 5422 5508 7486
uitspraakdatum : 17 januari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 januari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: 4 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom op de Groenewoudlaan te Waalwijk op 9 januari 2023 om 10:27 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete ten onrechte is opgelegd. Gemachtigde verwijst naar artikel 5 Wahv Pro en stelt dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte is bekeurd op kenteken. De door de verbalisant gegeven verklaring is in zijn algemeenheid onvoldoende. Gemachtigde verwijst hiervoor naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2023:1256). Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop dient de sanctie met 25% gematigd te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zittingsvertegenwoordiger heeft een aanvullend proces-verbaal opgevraagd, waarin de verbalisant een toelichting geeft op de mogelijkheid tot staandehouding en ingaat op het verweer van betrokkene. Echter is de betreffende verbalisant niet meer in dienst en geeft het dossier onvoldoende duidelijkheid. Gelet hierop kan de gedraging niet worden vastgesteld.

Overwegingen

Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaaksoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat sprake was van een mobiele radarcontrole. De kantonrechter overweegt, onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2023:1256, dat ook bij een mobiele radarcontrole zich onder omstandigheden een reële mogelijkheid kan voordoen om de bestuurder staande te houden. De enkele mededeling dat sprake was van een mobiele radarcontrole is dan ook onvoldoende om te kunnen vaststellen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Daarom is de officier van justitie in de gelegenheid gesteld hierover een aanvullend proces-verbaal op te laten maken.
Nu er geen aanvullend proces-verbaal is gekomen, is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende duidelijk is geworden dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De boete is dan ook ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 323,50
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- =
€ 453,50
totaal € 1.230,50

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 38,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 1.230,50;
‒ verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: