Eiseres heeft op 20 juli 2024 een aanvraag ingediend bij het UWV voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht weken beslist, waardoor eiseres het UWV op 24 september 2024 in gebreke stelde. Na ontvangst van de ingebrekestelling op 15 oktober 2024 verstreken twee weken zonder besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien de achterstanden door een tekort aan verzekeringsartsen acht de rechtbank een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van €100,- per dag dat de nieuwe beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000,-. Voor de reeds verstreken periode stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442,-. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.