Belanghebbende voerde beroep tegen uitspraken van de inspecteur die bezwaren tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2016-2019, belastingrente en vergrijpboetes niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig indienen van bezwaarschriften.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslagen correct aan belanghebbende zijn bekendgemaakt en de bezwaartermijn rechtsgeldig is aangevangen. De door belanghebbende aangevoerde e-mails kwalificeren niet als tijdige bezwaarschriften omdat ze te algemeen, prematuur of te laat waren. De formele eisen voor een bezwaarschrift zijn niet vervuld, en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, ook niet vanwege ziekte van de gemachtigde.
De rechtbank komt daardoor niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de aanslagen en rente. Wel vermindert zij ambtshalve de vergrijpboetes over 2018 en 2019 wegens overschrijding van de redelijke termijn met vijf procent. Voor 2017 blijft de boete ongewijzigd vanwege de lage hoogte. Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe voor de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure over 2016.
De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten voor het indienen van het verzoek om immateriële schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen blijven ongewijzigd.