Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
- i) Met dagtekening 29 december 2021 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Bij de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht.
- ii) Met dagtekening 26 november 2022 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. Bij de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
- iii) Met dagtekening 26 november 2022 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. Bij de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
- iv) Met dagtekening 26 november 2022 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
Motivering
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- vermindert de bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2018 opgelegde vergrijpboete tot € 3.159;
- vermindert de bij de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2019 opgelegde vergrijpboete tot € 26.165;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan belanghebbende.