ECLI:NL:RBZWB:2025:159
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken om ambtshalve vermindering inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017-2020
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2017 tot en met 2020, met name tegen de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De bezwaren werden aangemerkt als massaal bezwaar en collectief gegrond verklaard door de Staatssecretaris in februari 2022. Belanghebbende diende vervolgens verzoeken om ambtshalve vermindering in, die de inspecteur heeft afgewezen.
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de verzoeken terecht heeft afgewezen en of de afwijzing van de verzoeken en het ontbreken van een dwangsom terecht zijn. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de verzoeken terecht heeft afgewezen, mede omdat de wettelijke termijn van zes maanden voor vermindering na de collectieve uitspraak nog niet was verstreken en het niet onredelijk was de verzoeken af te wijzen en te verwijzen naar de massaalbezwaarprocedure.
Belanghebbende verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden, maar dat de financiële belangen reeds waren afgewikkeld door eerdere uitspraken, zodat geen vergoeding wordt toegekend.
De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en proceskosten worden niet vergoed.
Uitkomst: De verzoeken om ambtshalve vermindering en de beroepen worden afgewezen; geen vergoeding immateriële schade.