Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De inspecteur had de aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van €29.489 en had afgeweken van de aangifte door de arbeidskorting niet toe te kennen.
Belanghebbende ontving in 2022 een ziektewetuitkering van het UWV van €31.160, die in de aangifte als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking was opgegeven. De inspecteur stelde dat de uitkering niet onder het arbeidsinkomen viel omdat de dienstbetrekking op het moment van ingang van de uitkering was beëindigd.
De rechtbank oordeelde dat de ziektewetuitkering niet als arbeidsinkomen kan worden aangemerkt omdat de dienstbetrekking op 5 juni 2021 was geëindigd en de uitkering op 7 juni 2021 inging. Hierdoor bestaat geen recht op arbeidskorting. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de wetgever een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft voor het onderscheid tussen zieken met en zonder dienstbetrekking.
De belastingrente is eveneens terecht in rekening gebracht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de aanslag en belastingrentebeschikking blijven ongewijzigd en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.