ECLI:NL:RBZWB:2025:1626
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Nederlandse heffing arbeidsongeschiktheidsuitkering volgens belastingverdrag Nederland-Duitsland
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland sinds medio 2010, ontving in 2018 een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WGA-uitkering) van €24.504 van het UWV. Hij gaf in zijn aangifte slechts €10.732 aan, waarna de inspecteur een navorderingsaanslag oplegde waarin het volledige bedrag werd belast. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag en navorderingsaanslag, stellende dat een deel van de uitkering betrekking had op voorgaande jaren en dat op grond van het belastingverdrag Nederland-Duitsland niet geheven mocht worden als het deel over 2018 onder €15.000 zou liggen.
De rechtbank stelde vast dat de gehele uitkering in 2018 is ontvangen en dat het belastingverdrag bepaalt dat bij een in Duitsland wonende belastingplichtige een uit Nederland afkomstige sociale zekerheidsuitkering in Nederland mag worden belast indien het totale brutobedrag in enig kalenderjaar boven €15.000 uitkomt. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de uitkering terecht in de Nederlandse heffing heeft betrokken, ook al had een deel van de uitkering betrekking op andere jaren.
Belanghebbende was uitgenodigd om digitaal deel te nemen aan de zitting maar is niet verschenen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, handhaafde de aanslag, navorderingsaanslag en belastingrente, en wees proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. de Werd op 20 maart 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De aanslag, navorderingsaanslag en belastingrente zijn terecht opgelegd en blijven in stand.