Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de door de inspecteur opgelegde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) na registratie van een gebruikte Volkswagen Golf met meer dan normale gebruiksschade. De kern van het geschil betreft de wijziging per 1 januari 2022 van artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm, dat bepaalt dat afschrijving alleen kan plaatsvinden als het voertuig voldoet aan verkeersveiligheidseisen en geen essentiële gebreken vertoont.
Belanghebbende stelde dat deze regeling discriminerend is en in strijd met het Unierecht, omdat buitenlandse schadevoertuigen eerst hersteld moeten worden voordat ze kunnen worden ingeschreven, terwijl binnenlandse schadevoertuigen deze beperking niet ondervinden. De rechtbank oordeelt dat deze regeling niet strijdig is met het Unierecht, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2021, dat onderscheid tussen voertuigen die aan toelatingseisen voldoen en die dat niet doen toelaat.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van €1.500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 13 maanden. Daarnaast worden proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding deels toegewezen. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat het verzoek niet tijdig is ingediend.