ECLI:NL:RBZWB:2025:1680

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2025
Publicatiedatum
24 maart 2025
Zaaknummer
BRE 24/1490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbInvorderingswet 1990
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake verrekening belastingaanslagen

De ontvanger van de Belastingdienst heeft op 11 maart 2022 een mededeling verzonden aan belanghebbende over de verrekening van een terug te ontvangen bedrag op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 met een te betalen bedrag op een naheffingsaanslag omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016. Belanghebbende maakte hiertegen bezwaar en stelde beroep in wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.

De rechtbank ontving het beroepschrift op 28 december 2023 en constateerde dat de ontvanger op 18 april 2024 alsnog uitspraak op bezwaar had gedaan. Het beroep betrof ook een boetebeschikking, maar hierover doet de rechtbank een afzonderlijke uitspraak.

De rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de verrekening, omdat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen op grond van de Invorderingswet, tenzij een uitzondering geldt. De verrekening valt niet onder deze uitzonderingen. Een geschil hierover dient aan de burgerlijke rechter te worden voorgelegd.

Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd en ziet zij af van inhoudelijke beoordeling. Omdat belanghebbende geen griffierecht betaalde, is terugbetaling daarvan niet aan de orde. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 24 maart 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de verrekening van belastingaanslagen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1490

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. De ontvanger heeft op 11 maart 2022 een mededeling aan belanghebbende verzonden van de verrekening van een terug te ontvangen bedrag op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 met een te betalen bedrag op een naheffingsaanslag omzetbelasting over het 4e kwartaal 2016. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 22 december 2023, ontvangen door de rechtbank op 28 december 2023, beroep ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De ontvanger heeft op 18 april 2024 uitspraak op bezwaar gedaan.
1.2.
Het beroepschrift zag ook op de boetebeschikking die is opgelegd bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 23/12540. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak met betrekking tot het beroep met zaaknummer BRE 23/12540.
1.3.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk om beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen door de ontvanger. Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
2.1.
De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verrekening. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 24 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.