ECLI:NL:RBZWB:2025:1740

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
BRE 23/2695
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014Art. 3a Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019Art. 4:84 AwbArt. 8:72 AwbArt. 22 Tracéwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over nadeelcompensatie wegens niet overschrijden omzetdrempel

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het door de minister van Infrastructuur en Waterstaat toegekende nadeelcompensatiebesluit. De rechtbank verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin het onderzoek werd heropend om nadere informatie van de minister te verkrijgen over de toepassing van omzetdrempels in de beleidsregels.

De kern van het geschil betreft de vraag of de omzetderving en totale schade van eiseressen de in de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (15%) of de latere Beleidsregel 2019 (13%) vastgestelde omzetdrempel overschrijden. De rechtbank stelt vast dat de omzetderving en schadebedragen lager zijn dan deze drempelwaarden, ongeacht welke beleidsregel wordt toegepast.

Eiseressen betogen dat de minister bewust heeft afgeweken van de omzetdrempel, onder verwijzing naar een eerste conceptadvies uit 2018 waarin een lagere drempel werd genoemd. De rechtbank volgt dit standpunt niet omdat latere adviezen en het definitieve advies van 2021 geen bevestiging geven van een dergelijke afwijking.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit materieel onjuist, onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is en vernietigt het besluit. Vanwege het verbod van reformatio in peius laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2695

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2025 in de zaak tussen

1. [eiser 1] B.V.,

2. [eiser 2] B.V.,

3. [eiser 3] B.V.

allen uit [plaats] ,
eiseressen,
(gemachtigde: mr. M.S. van der Hoek),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, minister,

(gemachtigde: mr. R.J.A. Soupart).

Procesverloop

1. De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 5 november 2024 [1] voor het procesverloop tot de tussenuitspraak, de weergave van de relevante feiten, het bestreden besluit, de beroepsgronden, het standpunt van de minister en het wettelijk kader.
1.1
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om de in de tussenuitspraak opgenomen vragen van de rechtbank te beantwoorden. De minister heeft op 29 november 2024 een nadere reactie bij de rechtbank ingediend. Eiseressen hebben hier schriftelijk op gereageerd.
1.2
De rechtbank heeft op 12 februari 2025 het onderzoek gesloten, bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en dat binnen zes weken een schriftelijke uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

2. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist,
tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
De tussenuitspraak
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, in overweging 16 overwogen dat de rechtbank het standpunt ter zitting van de minister zo opvat dat volgens de minister het bestreden besluit onjuist is. Dit standpunt, weergegeven in overweging 15 van de tussenuitspraak, komt er op neer dat in de besluitvorming, en de daaraan voorafgaande advisering, ten onrechte geen omzetdrempel is gehanteerd. Bij toepassing van een omzetdrempel zou géén nadeelcompensatie zijn toegekend volgens de minister. Omdat ter zitting een onderbouwing van dat gewijzigde standpunt (op basis van de gegevens van eiseressen en op grond van het toepasselijke beleid) ontbrak, kon de rechtbank het bestreden besluit en het standpunt van de minister ter zitting nog niet toetsen. De rechtbank heeft daarom in de tussenuitspraak het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om nadere inlichtingen te geven.
De nadere inlichtingen van de minister
4. De minister heeft uiteengezet dat bij iedere beoordeling van een verzoek tot toekenning van nadeelcompensatie – ongeacht of de Beleidsregel 2014 [2] dan wel de Beleidsregel 2019 [3] wordt toegepast – eerst getoetst moet worden of de schade de omzetdrempel overstijgt. Indien dat niet het geval is, dan is er geen grond om nadeelcompensatie toe te kennen.
4.1
De omzetdrempel betreft op grond van artikel 3a, eerste lid, van de Beleidsregel 2014, 15% van de normomzet op jaarbasis. In artikel 3a, eerste en tweede lid, van de Beleidsregels 2019 gaat het in dit geval om een omzetdrempel van 13% bij een normbrutowinstmarge van 34%. Volgens de minister heeft de adviescommissie, die hem heeft geadviseerd over het verzoek tot nadeelcompensatie, de vraag of de schade van eiseressen uitstijgt boven de omzetdrempel overgeslagen en is direct tot een vaststelling van een forfait voor normaal maatschappelijk risico gekomen.
4.2
Bij de berekening aan de hand van zowel de Beleidsregel 2014 als de Beleidsregel 2019 gaat de minister uit van een normomzet van € 15.495.811,00, een tijdelijke omzetderving van € 1.001.692,00 en een totale schade van € 1.300.945,00. Toepassing van Beleidsregel 2014 leidt tot een drempelwaarde van € 2.324.372,00. [4] Omdat de gederfde omzet en totale schade onder dit bedrag is gelegen, had de aanvraag om nadeelcompensatie eigenlijk afgewezen dienen te worden.
4.3
Bij toepassing van Beleidsregel 2019 geldt, zoals de adviescommissie correct heeft berekend, een normbrutowinstmarge van 34% en een daarmee corresponderend drempelpercentage van 13%. De omzetdrempel komt op grond daarvan uit op
€ 2.014.455,00 [5] en dus is ook in dat geval zowel de gederfde omzet als de totale schade lager dan de omzetdrempel. De minister betoogt dat de toegekende nadeelcompensatie
– vanwege het verbod van reformatio in peius – in stand moet blijven, maar dat er geen aanleiding is om een hoger bedrag aan nadeelcompensatie toe te kennen.
De reactie van eiseressen
5. Eiseressen voeren aan dat als de drempel van de minimale schade is gehaald, de omvang van de nadeelcompensatie moet worden bepaald. Dat geschiedt aan de hand van twee fasen: in de eerste fase wordt bij wijze van
quick scanbepaald of de omzetdrempel wordt overschreden en in de tweede fase wordt het normaal maatschappelijk risico vastgesteld. Eiseressen stellen dat artikel 3a, tweede lid, van de Beleidsregel 2014, de minister de bevoegdheid geeft om een lager drempelpercentage toe te passen in geval van een naar aard, duur of voorzienbaarheid bijzondere dan wel uitzonderlijke infrastructurele maatregel. Voor de Beleidsregel 2019 volgt deze bevoegdheid uit artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.1
Eiseressen betogen dat de minister kón afwijken van de omzetdrempel in de beleidsregels en dat hij dat ook bewust heeft gedaan. De minister heeft, als resultaat van een bewuste en zorgvuldige afweging, de omzetdrempel buiten toepassing gelaten.
Ter ondersteuning van hun standpunt dat bewust is afgeweken van de omzetdrempel, wijzen eiseressen op het eerste conceptadvies dat op 24 augustus 2018 naar aanleiding van het nadeelcompensatieverzoek is uitgebracht. Daarin staat dat het redelijk is dat een lagere drempelwaarde dan 15% van de normomzet op jaarbasis wordt gehanteerd. [6] In het tweede conceptadvies, van 15 mei 2020, en het definitieve advies van 4 februari 2021, is tot uitgangspunt genomen dat voor de omvang van het forfait maatschappelijk risico materieel aansluiting moet worden gezocht bij de Handleiding [7] en Beleidsregel 2019. In de rapportage van [naam] is vervolgens tot een passend en beredeneerd forfait voor normaal maatschappelijk risico gekomen. Dat de commissie de omzetdrempel van 15% niet abusievelijk is vergeten toe te passen, volgt bovendien (indirect) uit de overweging van de commissie, naar aanleiding van de reactie van de minister op het tweede conceptadvies, dat de infrastructurele maatregel geen normale maatschappelijke ontwikkeling was.
Beoordeling door de rechtbank
6. Onder verwijzing naar de overwegingen 12 en 13 van en het wettelijk kader in de bijlage bij de tussenuitspraak overweegt de rechtbank dat artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet bepaalt dat – indien een belanghebbende als gevolg van een tracébesluit schade lijdt of zal lijden, die in redelijkheid niet (geheel) voor zijn rekening hoort te blijven en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd – de minister de belanghebbende een naar redelijkheid te bepalen schadevergoeding toekent. De minister hanteert hiervoor beleid, zoals de reeds genoemde beleidsregels.
Welke beleidsregel is van toepassing?
6.1
Ten tijde van de indiening van het verzoek door eiseressen gold Beleidsregel 2014. Tussen partijen is niet in geschil, en uit artikel II van het wijzigingsbesluit van de minister dat heeft geleid tot Beleidsregel 2019 [8] leidt de rechtbank ook af, dat Beleidsregel 2014 van toepassing is. De rechtbank zal bij haar beoordeling dan ook toetsen aan Beleidsregel 2014.
6.2
Omdat partijen aanvankelijk eensgezind leken over de juistheid van de materiële aansluiting bij Beleidsregel 2019 bij de berekeningswijze van de adviescommissie, zal de rechtbank hierna in 6.5 ook ingaan op de vraag wat toepassing van Beleidsregel 2019 volgens haar betekent. De rechtbank volgt echter niet het standpunt van eiseressen dat voor wat betreft de (afwijking van de) drempelwaarde is aangesloten bij Beleidsregel 2014 en voor de verdere berekening bij Beleidsregel 2019. De strekking van de passage uit het eerste conceptadvies van 2018 waarnaar eiseressen hebben verwezen en waarin een verlaagde drempelwaarde van 10% is genoemd, ziet de rechtbank niet terugkomen in het tweede conceptadvies uit 2020 of in het definitieve advies van 2021. In die latere adviezen is de adviescommissie weliswaar aangesloten bij Beleidsregel 2019, maar ook daarbij moet, zoals de minister terecht heeft opgemerkt, rekening worden gehouden met een omzetdrempel. De adviescommissie noch de minister heeft na het eerste conceptadvies uit 2018 overwegingen gewijd aan het op grond van artikel 3a lid 2 van Beleidsregel 2014 afwijken van de drempelwaarde. Ook in de overwegingen in paragraaf 12.1.6 van het definitieve advies uit 2021 [9] ziet de rechtbank voor het standpunt van eiseressen geen (indirecte) bevestiging. Deze passage heeft kennelijk betrekking op het normaal maatschappelijk risico bij permanente schade, terwijl tussen partijen nog slechts in geschil is de tijdelijke omzetderving van [eiser 1] B.V. in het jaar 2014.
Toetsing aan de Beleidsregels 2014
6.3
In geschil is de berekening van de nadeelcompensatie voor de tijdelijke omzetderving van [eiser 1] B.V. in het jaar 2014. Partijen zijn het erover eens dat voor dat jaar een normomzet van € 15.495.811,00, een omzetverlies van
€ 1.001.692,00, een totale schade van € 1.300.945,00 en een brutowinstmarge van 34% geldt.
6.4
De rechtbank overweegt dat de tijdelijke schade van [eiser 1] B.V. over 2014 lager uitvalt dan de in de Beleidsregel 2014 opgenomen drempelwaarde van 15%. Immers, om de drempelwaarde te bereiken, dient de gederfde omzet en/of totale schade tenminste € 2.324.372,00 te bedragen en dat is niet het geval, zoals de minister juist heeft berekend en is weergegeven onder 4.2 hiervoor. Ten overvloede: zelfs in het geval de omzetdrempel zou zijn verlaagd [10] , naar bijvoorbeeld 10% zoals in het eerste conceptadvies is genoemd, dan zou de omzetderving deze drempel niet hebben overstegen.
Zou toepassing van de Beleidsregels 2019 tot een andere uitkomst leiden?
6.5
Toepassing van Beleidsregel 2019 kan evenmin leiden tot het bereiken van de omzetdrempel; de schade zou dan, zoals in de juiste berekening van de minister in 4.3 hiervoor is weergeven, tenminste € 2.014.455,00 moeten bedragen.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in beroep terecht op het nadere standpunt heeft gesteld dat de aanvraag om nadeelcompensatie van eiseressen strikt genomen afgewezen had moeten worden, omdat de gederfde omzet en/of de totale schade lager uitvalt dan de drempelwaarde. Het bestreden besluit is materieel onjuist en tevens onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat - zoals de minister ook al aangaf - een correcte toepassing van de Beleidsregel 2014 zou leiden tot reformatio in peius.
De rechtbank ziet in het voorgaande verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, sub a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Aan de beoordeling van de beroepsgronden van eiseressen komt de rechtbank niet toe.
7.1
Vanwege de vernietiging ziet de rechtbank aanleiding om eiseressen een proceskostenvergoeding toe te kennen. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en een 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na de reactie van de minister op de tussenuitspraak) met een waarde per punt van € 907,00 en wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50. Daarnaast moet de minister het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- draagt minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseressen te vergoeden;
- veroordeelt minister in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2025 door mr. M.J. Schouw, voorzitter, en mr. L.P. Hertsig en mr. A.G.J.M. de Weert, leden, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

2.Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014.
3.Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019.
4.15% van normomzet € 15.495.811,00.
5.13% van normomzet € 15.495.811,00.
6.Pagina. 23 van het conceptadvies van 24 augustus 2018.
7.Handleiding nadeelcompensatie bij infrastructurele maatregelen (2018).
8.Staatscourant 2018, 66154.
9.Pagina 43 en 44 van het definitieve advies van 4 februari 2021.
10.Met toepassing van artikel 3a, tweede lid, van de Beleidsregel 2014.