ECLI:NL:RBZWB:2025:1748
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning te Breda
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Breda, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €337.000 per 1 januari 2022. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) over 2023, welke samenhing met de WOZ-waarde. De rechtbank beoordeelde het beroep op zitting, waarbij belanghebbende en zijn gemachtigde niet verschenen, maar de heffingsambtenaar en taxateur wel.
De rechtbank onderzocht of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en of de motivering van de uitspraak op bezwaar voldeed. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, waaronder een neerwaartse correctie van ruim 22% voor ondergemiddelde voorzieningen en onderhoud. Het door belanghebbende ingebrachte woningwaarderapport werd niet als voldoende onderbouwing gezien om de waarde te verlagen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Omdat het beroep ongegrond is verklaard, wordt het griffierecht niet vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter R.P. Broeders op 28 maart 2025 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €337.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.