ECLI:NL:RBZWB:2025:1811

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2025
Publicatiedatum
31 maart 2025
Zaaknummer
BRE 34/3501
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2.1 Wet langdurige zorgArt. 2.1.1 Wet langdurige zorgArt. 2 lid 1 ZvwArt. 41 ZvwVerordening (EEG) nr. 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijdrageplicht Zvw over Duitse pensioeninkomsten 2021

Belanghebbende, woonachtig in Nederland, ontving in 2021 een AOW-uitkering en pensioenuitkeringen uit Duitsland. De inspecteur legde een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw op over het Duitse pensioeninkomen. Belanghebbende stelde dat zij niet bijdrageplichtig was en dat de aanslag onjuist was.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende als ingezetene van Nederland verzekerd is voor langdurige zorg en daarom bijdrageplichtig is voor de Zvw. Op grond van de EU-verordening 883/2004 is Nederland bevoegd om Zvw-premies te heffen over de Duitse pensioenuitkeringen. De aanslag is correct berekend en tijdig opgelegd binnen de wettelijke termijn.

Belanghebbende voerde aan dat de belastingrente onredelijk was, maar de rechtbank stelt dat de belastingrente volgens de wet is opgelegd en dat zij niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag en belastingrente blijven in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2021 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: ing. [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft op 28 november 2023 aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd voor een bedrag van € 1.509. Daarbij is tevens bij beschikking € 108 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. en namens belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld door [naam]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Zvw terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogte is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in Nederland.
3.1.
Belanghebbende heeft in 2021 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ontvangen tot een bedrag van € 328. Daarnaast heeft belanghebbende vanuit Duitsland pensioenuitkeringen ontvangen van Deutsche Rentenversicherung (hierna: DRV), van in totaal € 24.850 en van Philips Pensionskasse Hamburg van € 1.408.
3.2.
De aanslag Zvw voor het jaar 2021 (aanslag Zvw) is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 26.258. Dit is het totaal van de uit Duitsland ontvangen pensioenuitkeringen.
3.3.
De Sociale Verzekeringsbank heeft belanghebbende op 22 oktober 2007 een ontheffing van de verplichte verzekering ten aanzien van de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet. In dit stuk is tevens vermeld dat de ontheffing niet geldt voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Motivering

Is belanghebbende bijdrageplichtig en is de aanslag naar de juiste hoogte opgelegd?
4. Belanghebbende stelt dat zij niet bijdrageplichtig is en dat de aanslag niet voor het juiste bedrag is opgelegd. De inspecteur betwist dit.
4.1.
Belanghebbende is ingezetene in de zin van artikel 1.2.1. van de Wet langdurige zorg. Op grond van artikel 2.1.1. van de Wet langdurige zorg is zij daarom in Nederland verzekerd voor de langdurige zorg. Hieruit volgt dat zij in Nederland ook verzekerd en bijdrageplichtig is voor de Zvw. Dit is bepaald in artikel 2, lid 1, en artikel 41 van Pro de Zvw.
4.2.
Welk land bevoegd is om Zvw-premies te heffen, volgt uit de Verordening (EEG) nr. 883/2004 (hierna: Vo). Belanghebbende is in het onderhavige jaar gepensioneerd en woonachtig in Nederland. Op grond van artikel 11, lid 2 jo. lid 3, aanhef en sub e, van de Vo is belanghebbende derhalve onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van Nederland. Belanghebbende heeft in 2021 een AOW-uitkering ontvangen en de in 3.1 genoemde, uit Duitsland afkomstige pensioenuitkeringen. Deze uitkeringen zijn aan te merken als ‘pensioen’ in de zin van artikel 1, sub w, van de Vo. Aangezien belanghebbende onderworpen is aan de socialezekerheidswetgeving van Nederland, komen in dit geval kosten voor verstrekkingen bij ziekte voor rekening van Nederland (artikel 23 Vo Pro). Daar is aan gekoppeld dat Nederland bevoegd is om ook over het Duitse pensioen Zvw-premies te heffen (artikel 30 Vo Pro).
4.3.
Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat Nederland bevoegd is om over de Duitse pensioenuitkeringen van belanghebbende Zvw-premies te heffen.
4.4.
De aanslag Zvw 2021 is verder ook tot het juiste bedrag opgelegd. Ingevolge artikel 42 en Pro 43 van de Zvw dienen in Nederland Zvw-premies te worden geheven over het inkomen van 2021. Als het gaat om loon en uitkeringen die worden ontvangen van een inhoudingsplichtige, gebeurt dat overeenkomstig de heffing van loonbelasting, zoals in dit geval bij de AOW-uitkering. Duitse pensioeninstellingen zijn echter geen inhoudingsplichtige. De inkomensafhankelijke bijdrage over de van hen ontvangen pensioenuitkeringen moet belanghebbende daarom op aanslag betalen (zie artikelen 43 en 49 Zvw). Op grond hiervan behoren de in 3.1 genoemde pensioenuitkeringen tot het bijdrage-inkomen van belanghebbende.
4.5.
Aan het voorgaande doet niet af dat belanghebbende een ontheffing is verleend voor de heffing van premies ten aanzien van de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet. Deze ontheffing, afgezien van de vraag of die terecht is verleend, heeft namelijk geen betrekking op het bijdrage-inkomen voor de Zvw.
4.6.
De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat belanghebbende bijdrageplichtig is voor de Zvw en dat de aanslag voor het juiste bedrag is opgelegd.
Is de aanslag Zvw te laat opgelegd?
5. Belanghebbende stelt dat de aanslag Zvw voor het jaar 2021 pas op 28 november 2023 is opgelegd en dat dit tot gevolg heeft gehad dat zij pas op dat moment kon vaststellen dat het bedrag van de aanslag Zvw niet in verhouding staat tot de ontvangen AOW. Belanghebbende stelt dat zij na ontvangst meteen bezwaar heeft gemaakt bij de SVB om alsnog een ontheffing te bewerkstelligen voor de AOW en de Wet langdurige zorg, opdat er geen grondslag meer zou zijn voor de aanslag Zvw. Belanghebbende stelt dat dit bezwaar is afgewezen omdat het te laat is ingediend, waarna zij beroep heeft ingesteld bij de rechtbank Roermond. Belanghebbende concludeert dat de laat opgelegde aanslag Zvw heeft bijgedragen aan het onevenredige gevolg van een aanslag Zvw die hoger is dan de ontvangen AOW en dat dit moet leiden tot de vernietiging van de aanslag Zvw. De inspecteur betwist dat hij de aanslag te laat heeft opgelegd.
5.1.
De rechtbank benadrukt dat de aanslag Zvw wordt opgelegd volgens dezelfde regels als die voor de heffing van inkomstenbelasting gelden, zoals volgt uit artikel 49, derde lid Zvw. Daarmee is de termijn voor het opleggen van de aanslag dezelfde als voor de inkomstenbelasting, die vastgesteld is op drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan (artikel 11, derde lid Algemene wet inzake rijksbelastingen). Voor het jaar 2021 had de inspecteur dus tot drie jaar na 2021 de bevoegdheid om een aanslag op te leggen. Nu de aanslag is opgelegd op 28 november 2023, valt dit binnen die termijn.
5.2.
De rechtbank voegt daaraan toe dat de stellingen van belanghebbende gebaseerd zijn op de veronderstelling dat belanghebbende recht heeft op ontheffing voor de AOW en de Wet langdurige zorg voor het jaar 2021. De rechtbank moet op grond van het beginsel van formele rechtskracht echter aannemen dat het rechtmatig is dat belanghebbende geen ontheffing voor de AOW en de Wet langdurige zorg is toegekend, omdat de SVB het bezwaar van belanghebbende heeft afgewezen en er nog geen uitspraak van de rechtbank Roermond is. Daarmee kan de rechtbank ook niet beoordelen of een eerdere ontvangst van de aanslag Zvw het door belanghebbende gestelde onevenredige gevolg zou hebben voorkomen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, kan de rechtbank daarom niet anders oordelen dan dat de aanslag Zvw tijdig, terecht en voor het juiste bedrag is opgelegd.
Is de belastingrente onredelijk?
5.3.
Belanghebbende stelt verder dat de belastingrente onredelijk is. De belastingrentebeschikking is echter op grond van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen opgelegd en de rechtbank moet op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen volgens de wet rechtspreken. Het is de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar, de aanslag en de beschikking belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.A. Brakeboer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier op 31 maart 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is buiten staat
deze uitspraak mede.
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.