De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 1 april 2025 de beroepen van belanghebbende tegen uitspraken op bezwaar van de inspecteur beoordeeld. De inspecteur had geweigerd een dwangsom toe te kennen wegens niet tijdig beslissen op bezwaren tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2020-2022 en had aanslagen opgelegd voor 2019 en 2020. Belanghebbende stelde dat de door het UWV doorgegeven uitkeringsbedragen onjuist waren en dat het hoorrecht was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat voor de jaren 2020-2022 terecht geen dwangsom is toegekend en dat de aanslagen voor 2019 en 2020 juist zijn vastgesteld op basis van de UWV-gegevens. Wel werd vastgesteld dat het hoorrecht bij de aanslag 2020 was geschonden doordat geen hoorgesprek plaatsvond, waardoor het beroep tegen die aanslag gegrond werd verklaard. Dit leidde echter niet tot een verlaging van de aanslag, maar wel tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Belanghebbende had geen bewijs geleverd voor haar stelling dat stukken waren vervalst en de rechtbank vond geen aanleiding om aan te nemen dat de inspecteur onrechtmatig had gehandeld. Daarnaast werd geoordeeld dat de rechtbank niet bevoegd was om uitspraken te doen over huurtoeslagzaken die bij een andere rechtbank horen. De overige beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.