In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 12 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep. Het hoger beroep was ingesteld door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 april 2025, waarin de rechtbank de bezwaren van belanghebbende tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2019 en 2020 ongegrond had verklaard, met uitzondering van het beroep tegen de aanslag voor het jaar 2020, dat gegrond werd verklaard. Belanghebbende had echter het griffierecht van € 143 niet betaald, ondanks meerdere herinneringen van de griffier. Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was, omdat belanghebbende geen beroep op betalingsonmacht had gedaan en het Unierecht zich niet verzet tegen de heffing van griffierecht. De zitting vond plaats op 10 oktober 2025, maar beide partijen waren niet verschenen. Het hof concludeerde dat er geen reden was om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, en dat de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. De uitspraak werd openbaar uitgesproken en een afschrift werd in Mijn Rechtspraak geplaatst.