ECLI:NL:GHSHE:2025:3241

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
25/661 tot en met 25/665
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 12 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep. Het hoger beroep was ingesteld door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 april 2025, waarin de rechtbank de bezwaren van belanghebbende tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2019 en 2020 ongegrond had verklaard, met uitzondering van het beroep tegen de aanslag voor het jaar 2020, dat gegrond werd verklaard. Belanghebbende had echter het griffierecht van € 143 niet betaald, ondanks meerdere herinneringen van de griffier. Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was, omdat belanghebbende geen beroep op betalingsonmacht had gedaan en het Unierecht zich niet verzet tegen de heffing van griffierecht. De zitting vond plaats op 10 oktober 2025, maar beide partijen waren niet verschenen. Het hof concludeerde dat er geen reden was om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, en dat de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. De uitspraak werd openbaar uitgesproken en een afschrift werd in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/661 tot en met 25/665
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 april 2025, nummers BRE 23/11554, BRE 23/11574, BRE 23/11575, BRE 24/2772 en BRE 24/3701, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2019 en 2020 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2019 en 2020. Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020, 2021 en 2022.
1.3.
De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. De inspecteur heeft bij uitspraken geweigerd een dwangsom toe te kennen wegens niet tijdig beslissen op de bezwaren van belanghebbende.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 gegrond verklaard. De overige beroepen zijn ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn via het online portaal ‘Mijn Rechtspraak’ gedeeld met de andere partij.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting hebben belanghebbende en de inspecteur laten weten dat zij niet zullen verschijnen.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
De griffier van het hof heeft in een nota van 14 april 2025 aan belanghebbende geschreven dat zij een hogerberoepschrift heeft ingediend, dat in verband hiermee griffierecht van € 143 is verschuldigd dat uiterlijk 12 mei 2025 moet zijn betaald, dat bij niet (tijdige) betaling het hogerberoepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard en dat belanghebbende een beroep op betalingsonmacht kan doen.
2.2.
Belanghebbende heeft hierop in brieven van 15, 16, 17, 24, 25, 27, 28, 29 april 2025 aan de griffier van het hof geantwoord dat de heffing van het griffierecht in strijd is met onder meer artikel 6 EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en dat zij geen beroep op betalingsonmacht doet.
2.3.
De griffier van het hof heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 26 juni 2025 een betalingsherinnering gestuurd, volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL naar het adres waarop zij in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven. In de betalingsherinnering staat dat het griffierecht binnen 28 dagen na de dag van verzending van de herinnering moet zijn betaald en dat bij niet (tijdige) betaling het hoger beroep nietontvankelijk kan worden verklaard en niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
2.4.
De betalingsherinnering is op 24 juli 2025 onbestelbaar teruggekomen bij de griffier van het hof. De griffier van het hof heeft de betalingsherinnering diezelfde dag nog in Mijn Rechtspraak geplaatst en die dag is om 14:32 uur een notificatie verstuurd naar het emailadres [e-mailadres] . Belanghebbende heeft zich aangemeld bij Mijn Rechtspraak en daarbij dit e-mailadres opgegeven.
2.5.
De griffier van het hof heeft partijen in een brief van 30 juli 2025 uitgenodigd voor de zitting op 10 oktober 2025. Belanghebbende heeft in brieven van 30 juli 2025 en 1 augustus 2025 verzocht om uitstel van de zitting. Belanghebbende heeft ook geschreven dat alle brievenbuspost van de Rechtspraak ongeopend retour wordt gezonden ter attentie van de afzender.
2.6.
Het hof heeft het uitstelverzoek van belanghebbende in een brief van 4 augustus 2025 afgewezen en in een brief van 18 september 2025 aan partijen geschreven dat op de zitting zal worden besproken dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald, het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard en het hoger beroep in dat geval niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
2.7.
Belanghebbende heeft vervolgens in brieven van 18, 20, 21, 24, 26 en 30 september 2025 aan de griffier van het hof geschreven dat zij niet ter zitting zal verschijnen, dat de heffing van het griffierecht volgens haar in strijd is met het Unierecht en zij nimmer een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek is aan de orde of belanghebbende het griffierecht tijdig heeft betaald en of het heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht.
3.2.
Indien het hoger beroep ontvankelijk is, is vervolgens in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 terecht en niet te hoog heeft vastgesteld, en of de inspecteur terecht geen dwangsom heeft toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Afwijzing verzoek om uitstel zitting
4.1.
Belanghebbende heeft het hof tweemaal schriftelijk verzocht om uitstel van de zitting van 10 oktober 2025. Belanghebbende heeft de inspecteur en het UWV diverse malen verzocht om inzage in diverse stukken uit haar dossier vanaf 2001 en heeft verzocht om uitstel van de zitting zolang wordt geweigerd aan haar verzoek tegemoet te komen. Dit omdat volgens belanghebbende anders haar verdedigingsrechten worden geschonden en er sprake is van schending van het Unierecht.
4.2.
Het hof heeft in dat wat belanghebbende heeft aangevoerd geen reden gezien om de zitting uit te stellen. Van een gewichtige reden waarom belanghebbende niet op de zitting aanwezig kan zijn of waarom zij zich niet op de zitting kan voorbereiden is niet gebleken. Ook niet voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat zij niet beschikt over alle op de zaak betrekking hebbende stukken [1] en zij zich daarom niet op de zitting kan voorbereiden.
4.3.
De zitting is daarom doorgegaan. Partijen zijn, zoals zij van tevoren al hadden laten weten, niet verschenen.
Griffierecht
4.4.
In de wet is bepaald dat de indiener van het hoger beroepschrift griffierecht is verschuldigd en dat het griffierecht binnen vier weken na de brief van de griffier moet zijn betaald. Als niet op tijd is betaald is het hoger beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat sprake is van verzuim of als aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht. [2] Het griffierecht bedraagt in dit geval € 143. [3]
4.5.
De griffier van het hof heeft belanghebbende tweemaal gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en voor de betaling daarvan telkens een termijn gesteld. Ook heeft de griffier belanghebbende erop gewezen dat bij niet (tijdige) betaling het hogerberoepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard en dat belanghebbende een beroep op betalingsonmacht kan doen (zie 2.1 en 2.3).
4.6.
Het hof stelt vast dat belanghebbende het griffierecht, ook na herinnering, niet heeft betaald en geen beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Zij weigert in hoger beroep griffierecht te betalen of een beroep op betalingsonmacht te doen, zonder gegronde redenen daarvoor. Anders dan belanghebbende betoogt, verzet het Unierecht zich niet tegen de heffing van griffierecht. [4] Ook op grond van alles wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat geen sprake is van verzuim.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
2.Artikel 8:108 en 8:41 Awb.
3.Artikel 8:109, lid 1, letter a, Awb.
4.Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579 onder 3.1.4.