Belanghebbende, de erven van een overledene, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1900 te [plaats], die op 1 januari 2022 werd vastgesteld op €285.000. De woning was in 2024 te koop aangeboden voor €375.000 en in 2025 verkocht. De heffingsambtenaar van de gemeente Veere verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023 vast.
Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar niet voldeed aan het verzoek om verstrekking van alle gegevens die ten grondslag liggen aan de waardebepaling, waaronder grondstaffels, liggingsfactoren en KOUDV-factoren. De rechtbank oordeelde dat de verstrekte taxatiegegevens en aanvullende overzichten voldoende inzicht boden om de juistheid van de waarde te controleren. De verzoeken om aanvullende gegevens werden deels afgewezen omdat sommige gegevens gebaseerd waren op algemene marktanalyse en niet als afzonderlijke stukken beschikbaar waren.
De rechtbank concludeerde dat er geen schending was van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ en dat belanghebbende dus geen recht had op proceskostenvergoeding. Het beroep werd ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde bleef gehandhaafd.