Belanghebbende, de erven van een overledene, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een tussenwoning uit 1960, gelegen op een perceel van 150 m2, die was vastgesteld op €201.000 per 1 januari 2022. De woning was in 2024 verkocht voor €239.500. De heffingsambtenaar van de gemeente Veere had het bezwaar ongegrond verklaard en verwees naar een taxatieverslag met vergelijkbare verkopen.
Belanghebbende stelde dat niet alle gegevens die ten grondslag lagen aan de waardebepaling waren verstrekt, met name inzake grondstaffels, KOUDV-factoren en referentiepanden, en verzocht om proceskostenvergoeding vanwege het niet verstrekken van deze gegevens. De heffingsambtenaar had weliswaar meerdere malen om aanvullende informatie gevraagd, maar kreeg geen reactie.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende voldoende gegevens had ontvangen om de juistheid van de WOZ-waarde te controleren en dat er geen sprake was van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het griffierecht werd niet vergoed.