Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- de advocaat van betrokkene, mr. H.M.Th. de Pont;
- mevrouw [naam 1] , psychiater;
- de heer [naam 2] , casemanager.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 januari 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 1978. De officier van justitie verzocht om verlenging van de zorgmachtiging voor twaalf maanden. Tijdens de mondelinge behandeling, die met gesloten deuren plaatsvond, werd duidelijk dat betrokkene niet bereid was met de rechter te spreken en dat hij bezwaar maakte tegen het onderzoek waarop de medische verklaring was gebaseerd.
De advocaat van betrokkene stelde dat de medische verklaring onvoldoende was omdat betrokkene niet fysiek was onderzocht door de psychiater. Er was onduidelijkheid over de identiteit van de onderzoeker en betrokkene had zelfs gevraagd om legitimatie, waarna hij wegliep. De psychiater had vervolgens een verklaring opgesteld op basis van dossierstukken, zonder persoonlijk onderzoek. De rechtbank oordeelde dat dit niet voldeed aan de wettelijke vereisten, die voorschrijven dat een persoonlijk onderzoek noodzakelijk is tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
De rechtbank concludeerde dat de medische verklaring ontoereikend was en dat onvoldoende inspanningen waren geleverd om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. Daarom kon geen zorgmachtiging worden toegekend. De beschikking werd mondeling gegeven en op 17 januari 2025 schriftelijk vastgelegd. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging is afgewezen wegens ontoereikende medische verklaring en ontbreken van persoonlijk onderzoek.