ECLI:NL:RBZWB:2025:2305

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
BRE/ 25/930
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling bij intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens opschorting besluit college

Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland van 9 januari 2025. Dit verzoek is vervolgens ingetrokken omdat het college heeft toegezegd de werking van het besluit voorlopig op te schorten totdat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het college de gelegenheid gegeven te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het college gaf aan dat zij de proceskosten ruimschoots compenseert door het besluit voorlopig niet te handhaven, waardoor verzoeker financieel voordeel geniet.

De voorzieningenrechter overweegt dat indien een bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt aan de indiener van een verzoek om voorlopige voorziening, de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener het bestuursorgaan kan veroordelen tot betaling van proceskosten. Dit is hier het geval omdat het college de tenuitvoerlegging van het besluit heeft opgeschort.

De proceskosten worden vastgesteld op €907,-, gebaseerd op één proceshandeling van de gemachtigde van verzoeker. De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van dit bedrag en bepaalt dat het griffierecht aan verzoeker wordt terugbetaald.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is bindend, waarbij hoger beroep of verzet niet mogelijk is.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van €907,- proceskosten aan verzoeker wegens opschorting van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/930 GEMWT VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.A.A. Maat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland(het college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening vanwege het besluit van het college van 9 januari 2025.
1.1.
Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college heeft laten weten voorlopig de werking van dit besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat zij de proceskosten ruimschoots compenseert, door het besluit voorlopig niet te handhaven waardoor verzoeken groot financieel voordeel geniet.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het voorlopig opschorten van de werking van het besluit aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5] Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 907,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college de werking van het besluit van 9 januari 2025 en het besluit van 9 juli 2024 voorlopig heeft opgeschort totdat op het beroep is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoeker terug. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 18 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
6.Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.