Uitspraak
1.De procedure
- het tussenvonnis van 15 januari 2025 en de daarin vermelde stukken;
- de akte uitlaten van [eiser] ;
- de brief van [gedaagde] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 april 2025 uitspraak gedaan in een civiele bodemzaak tussen eiser en gedaagde over een kostenbeding in een overeenkomst. In een tussenvonnis was reeds geoordeeld dat het kostenbeding niet duidelijk en begrijpelijk was en mogelijk oneerlijk volgens de Richtlijn 93/13/EEG.
Eiser stelde dat het kostenbeding niet oneerlijk was omdat er geen dwang was, het uurtarief marktconform was en gedaagde geen bezwaar had gemaakt. De kantonrechter verwierp dit standpunt omdat eiser vooraf geen informatie had verstrekt over de kosten, financiële gevolgen of verwachte tijdsbesteding. Hierdoor gaf het beding eiser de vrijheid om onbeperkt uren te declareren, wat leidt tot een onevenredige verstoring van het evenwicht tussen partijen.
De rechter oordeelde dat het kostenbeding daarom een oneerlijk beding is en vernietigde het beding op grond van artikel 6:233 BW Pro. Dit heeft tot gevolg dat de gehele overeenkomst vervalt omdat een overeenkomst van opdracht zonder loon niet kan bestaan. De vordering van eiser werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die voor gedaagde nihil werden vastgesteld.
Uitkomst: Het kostenbeding wordt vernietigd en de vordering van eiser wordt afgewezen, waardoor de overeenkomst vervalt.