Eiser verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor een toeslagschuld van €14.478,-, waarbij hij een langere aflossingsperiode wenste dan de standaard 24 maanden. De Dienst Toeslagen had een betalingsregeling vastgesteld waarbij het bedrag binnen 24 maanden moest worden afgelost met een maandelijkse betaling van €604,-. Eiser stelde dat zijn feitelijke uitgaven hoger zijn dan de normbedragen en dat schulden aan derden, zoals DUO en Zilveren Kruis, meegenomen moesten worden in de berekening van zijn betalingscapaciteit.
De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen de betalingscapaciteit conform de geldende wettelijke regels en de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 correct heeft berekend. Hierbij is rekening gehouden met het inkomen van eiser en zijn partner, en met de uitgaven die wettelijk zijn toegestaan. Schulden die niet onder de wettelijk erkende categorieën vallen, zoals de schuld aan DUO, mogen buiten beschouwing blijven. De rechtbank vond dat de Dienst Toeslagen zijn beoordelingsruimte op juiste wijze heeft ingevuld en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van de standaardregeling rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukte dat eiser vanaf 2017 op de hoogte was van de terugvorderingen en meerdere betalingsregelingen heeft gekregen, maar geen betalingen heeft verricht. De stelling van eiser dat het maandbedrag niet haalbaar is vanwege hogere feitelijke kosten werd verworpen omdat bij de berekening niet van feitelijke uitgaven wordt uitgegaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot verlenging van de betalingsperiode af.