ECLI:NL:RVS:2020:362
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek persoonlijke betalingsregeling kinderopvangtoeslag
Appellant verzocht de Belastingdienst/Toeslagen om een persoonlijke betalingsregeling voor terugbetaling van te veel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2007 en 2009. De dienst wees dit verzoek aanvankelijk af, maar stelde na bezwaar een betalingsregeling vast waarbij appellant maandelijks €919,00 moest terugbetalen over 24 maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze regeling ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in en voerde onder meer aan dat de Belastingdienst onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke situatie, dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en dat de regeling onredelijk was.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de Belastingdienst de betalingscapaciteit op juiste wijze had vastgesteld op basis van een limitatieve lijst van toegestane uitgaven volgens de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. De brief van 8 juli 2016 bevatte geen toezegging tot een lagere persoonlijke betalingsregeling. Verder was geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, subsidiariteits-, proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel, noch van vooringenomenheid.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de standaard betalingsregeling passend is en dat appellant een nieuw verzoek kan indienen indien zijn omstandigheden wijzigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.