ECLI:NL:RBZWB:2025:2908
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen invorderingsrente en immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een rentebeschikking van de ontvanger van de Belastingdienst waarin €2 invorderingsrente in rekening werd gebracht over een openstaande aanslag inkomstenbelasting 2015. De rechtbank beoordeelde of deze invorderingsrente terecht en correct was vastgesteld.
Belanghebbende stelde dat hij geen belastingschuld meer had omdat hij een executoriaal eigenbeslag had gelegd ter hoogte van €15.000, gebaseerd op een eerdere uitspraak van de rechtbank over navorderingsaanslagen 2012 en 2013. De ontvanger betwistte dit en stelde dat de uitspraken op bezwaren tijdig waren gedaan, zodat geen dwangsom was verschuldigd.
De rechtbank oordeelde dat de belastingrechter niet bevoegd is om over beslaglegging te oordelen, maar wel moet toetsen of de invorderingsrente terecht is. De ontvanger had aannemelijk gemaakt dat belanghebbende nog een belastingschuld had ten tijde van de betaling, en belanghebbende had dit niet weersproken. De hoogte van de invorderingsrente was ook niet betwist.
Daarnaast wees de rechtbank de vordering tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het financieel belang gering was en de procedure samenhangend en gezamenlijk met andere zaken was behandeld. Er was geen aanleiding om te veronderstellen dat de procedure spanning of frustratie had veroorzaakt.
Het beroep werd ongegrond verklaard, er werd geen griffierechtvergoeding toegekend en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de invorderingsrente wordt ongegrond verklaard en de vordering tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.