Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:2988

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
BRE - 25 _ 1395
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in belastingzaak wegens niet-tijdig beslissen bezwaar

Op 25 februari 2025 heeft de inspecteur van de Belastingdienst een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 10 december 2024. In die uitspraak was de inspecteur verplicht om alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar van de verweerder tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2020, met een dwangsom bij overschrijding.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 28 april 2025 en oordeelde dat de inspecteur het griffierecht te laat had betaald, maar dat dit verschoonbaar was vanwege een te korte betalingstermijn in de nota. Vervolgens heeft de rechtbank op 14 mei 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de inspecteur tegen de uitspraak van 10 december 2024. Dit verzet werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het beroep wegens niet-tijdig beslissen ongegrond verklaard.

Omdat partijen ter zitting overeenkwamen dat de inspecteur geen belang meer had bij het verzoek om voorlopige voorziening, werd dit verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het verzet gegrond is verklaard en het beroep ongegrond is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1395
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2025 in de zaak tussen

de inspecteur van de belastingdienst, verzoeker,

en

[verweerder], uit Monaco, verweerder,

(gemachtigden: mr. A.B. Vissers en mr. R.M. van de Wal).

Inleiding

1. Op 25 februari 2025 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.1.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om de door de rechtbank aan hem opgelegde verplichting om alsnog uitspraak op het bezwaar van verweerder te doen en de daaraan gekoppelde dwangsom op te schorten.
1.2.
De verplichting volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 10 december 2024 [1] . In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de inspecteur volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 18 januari 2024 tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2020 gegrond verklaard, de inspecteur opgedragen binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken, bepaald dat de inspecteur aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 15.000 en de door de inspecteur te betalen dwangsom vastgesteld op € 1.442.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoeker mr. M. van Eeken, mr. C.M.F. Verhelpen en mr. J.A.M. Bongers, verweerder en zijn gemachtigden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Griffierecht
2. De inspecteur heeft het griffierecht voor deze procedure niet binnen de wettelijke termijn [2] van twee weken betaald. Ter zitting heeft de rechtbank als voorlopig oordeel gegeven dat te late betaling van griffierecht verschoonbaar is omdat in de brief van 3 april 2025, die moet worden aangemerkt als de (eerste) nota griffierecht, een te korte termijn voor betaling van het griffierecht is gesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om op haar voorlopig oordeel terug te komen en beslist dienovereenkomstig.
VOVO
3. De rechtbank heeft bij uitspraak van heden uitspraak gedaan op het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 december 2024 en beslist dat het verzet gegrond is, dat de uitspraak van de rechtbank van 10 december 2024 moet worden vernietigd en dat het beroep wegens het niet-tijdig beslissen ongegrond is. Voor dat geval hebben partijen ter zitting het standpunt ingenomen dat verzoeker geen belang meer heeft bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank acht dat juist en beslist dienovereenkomstig. Dat betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 14 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8420.
2.Artikel 8:82, derde lid, van de Awb.