ECLI:NL:RBZWB:2025:3003

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
BRE 24/5570
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verzuimboete inkomstenbelasting 2022 wegens te late aangifte

Belanghebbende werd voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, samen met een verzuimboete van €385 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte.

De inspecteur had belanghebbende uitgenodigd en uitstel verleend tot 1 september 2023, gevolgd door een aanmaning tot 6 november 2023. Belanghebbende diende de aangifte pas op 14 februari 2024 in. De rechtbank oordeelt dat de boete terecht is opgelegd omdat de aangifte niet binnen de gestelde termijn is ingediend.

Belanghebbende voerde aan dat hij vanwege detentie geen post kon ontvangen en dus geen schuld had. De rechtbank verwierp dit beroep op afwezigheid van alle schuld (avas), omdat belanghebbende maatregelen had moeten treffen om tijdig op de hoogte te zijn en de aangifte te laten indienen.

De rechtbank acht de boete passend en geboden, ondanks het beperkte inkomen van belanghebbende, omdat hij voldoende banktegoed heeft om de boete te voldoen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de boete blijft in stand en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de verzuimboete van €385 wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. De inspecteur heeft belanghebbende per brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2022.
3.1.
De inspecteur heeft uitstel verleend voor het doen van aangifte tot 1 september 2023.
3.2.
Per brief van 23 oktober 2023 heeft de inspecteur belanghebbende aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2022 voor 6 november 2023.
3.3.
De genoemde brieven zijn verstuurd naar het woonadres van belanghebbende.
3.4.
De inspecteur heeft binnen de in de aanmaning gestelde termijn geen aangifte IB/PVV 2022 van belanghebbende ontvangen.
3.5.
Belanghebbende heeft op 14 februari 2024 alsnog de aangifte IB/PVV 2022 ingediend.

Motivering

Is de verzuimboete terecht opgelegd?
4. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen als een belastingplichtige niet of niet tijdig de aangifte IB/PVV heeft ingediend. [1] Een aangifte is niet tijdig ingediend als de belastingplichtige niet binnen de op de aanmaning genoemde termijn zijn aangifte indient. Voor het opleggen van deze boete is dus nodig dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte en na het verlopen van de gestelde termijn is aangemaand tot het doen van aangifte. Dat is in het geval van belanghebbende gebeurd. Belanghebbende heeft dat ook niet ontkend.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de boete in overeenstemming met de wet opgelegd. Belanghebbende heeft namelijk niet voor 6 november 2023 aangifte IB/PVV 2022 gedaan.
4.2.
De mate van verwijtbaarheid speelt voor de verzuimboete geen rol, maar de boete moet achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Voor een geslaagd beroep op avas moet belanghebbende aannemelijk maken dat hij in de gegeven omstandigheden alle in redelijkheid van hem te vergen zorg heeft geprobeerd om ervoor te zorgen dat het verzuim niet zou worden begaan. [2]
4.3.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van avas. De omstandigheid dat belanghebbende vanwege zijn detentie geen brieven heeft ontvangen en geen aangifte kon doen, brengt niet mee dat sprake is van avas. Naar de rechtbank begrijpt, was hij door zijn detentie niet in staat om zijn post te bekijken. Detentie is een omstandigheid die in beginsel voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen. [3] Belanghebbende had moeten zorgen dat zijn post tijdens zijn detentie op enige wijze zou worden gelezen zodat hij tijdig op de hoogte was van zijn verplichting om zijn aangifte in te dienen. Hij had daarnaast ook tijdig moeten zorgen dat de aangifte werd ingediend namens hem. Belanghebbende heeft dit niet gedaan. Daarom is er geen sprake van avas.
Is de boete passend en geboden?
4.4.
De rechtbank toetst vervolgens of de boete passend en geboden is gelet op de omstandigheden van het geval.. De inspecteur heeft op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst de verzuimboete vastgesteld op € 385. De rechtbank ziet geen aanleiding tot matiging van de boete. Belanghebbende heeft weliswaar aangevoerd een beperkt inkomen te hebben. De inspecteur heeft hier tegenin gebracht dat belanghebbende beschikt over voldoende banktegoed om daarmee de boete te voldoen. Belanghebbende heeft dat niet ontkend. De rechtbank acht de boete dan ook passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de boetebeschikking in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 19 mei 2025 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 67a Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Vgl. Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2776.