De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 20 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak waarin belanghebbende beroep instelde tegen de WOZ-beschikkingen en de aanslagen onroerendezaakbelasting over 2022. De bezwaren waren door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard omdat zij te laat waren ingediend. Belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank oordeelde dat het aanslagbiljet met dagtekening 25 februari 2022 tijdig was verzonden en ontvangen, wat blijkt uit de betaling van de aanslagen op 4 mei 2022. De termijn voor het indienen van bezwaar liep tot 8 april 2022, terwijl het bezwaarschrift pas op 16 maart 2023 werd ontvangen. Dit was dus ruim na de termijn, zonder verontschuldigbare redenen.
Daarom zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard en zijn de beroepen kennelijk ongegrond. Tevens wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat er geen aannemelijk verband was met de belangen van belanghebbende en de vergoeding bovendien aan de gemachtigde zou toekomen.
De bestreden besluiten blijven daarmee in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.