ECLI:NL:RBZWB:2025:3017

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
BRE 23/12449 en 23/12530
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen tegen niet-ontvankelijk verklaarde WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelasting afgewezen wegens termijnoverschrijding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 20 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak waarin belanghebbende beroep instelde tegen de WOZ-beschikkingen en de aanslagen onroerendezaakbelasting over 2022. De bezwaren waren door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard omdat zij te laat waren ingediend. Belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De rechtbank oordeelde dat het aanslagbiljet met dagtekening 25 februari 2022 tijdig was verzonden en ontvangen, wat blijkt uit de betaling van de aanslagen op 4 mei 2022. De termijn voor het indienen van bezwaar liep tot 8 april 2022, terwijl het bezwaarschrift pas op 16 maart 2023 werd ontvangen. Dit was dus ruim na de termijn, zonder verontschuldigbare redenen.

Daarom zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard en zijn de beroepen kennelijk ongegrond. Tevens wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat er geen aannemelijk verband was met de belangen van belanghebbende en de vergoeding bovendien aan de gemachtigde zou toekomen.

De bestreden besluiten blijven daarmee in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De beroepen werden ongegrond verklaard vanwege te late indiening van bezwaren en het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/12449 en 23/12530

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 december 2023. De beroepen zien op de WOZ-beschikkingen voor de objecten [adres 1] en [adres 2] over het jaar 2022 vermeld op het aanslagbiljet met [aanslagnummer], alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het bezwaarschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het bezwaarschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het aanslagbiljet op de juiste wijze bekendgemaakt?
4. Het aanslagbiljet heeft een dagtekening 25 februari 2022. Hiertegen heeft de gemachtigde met dagtekening 14 maart 2023, binnengekomen bij de heffingsambtenaar op 16 maart 2023, bezwaar gemaakt.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde bij brieven van 6 april 2023 en 1 mei 2023 en bij e-mail van 23 mei 2023 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
4.2.
De heffingsambtenaar is van mening dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De dagtekening van het aanslagbiljet is 25 februari 2022 en gezien de betaling van de aanslagen vermeld op het aanslagbiljet op 4 mei 2022 is deze ook door belanghebbende ontvangen. Verder heeft belanghebbende in bezwaar en beroep geen omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de bekendmaking en de verzending van het aanslagbiljet nu vast is komen te staan dat belanghebbende het totaalbedrag van de aanslagen op 4 mei 2022 heeft voldaan. Hieruit blijkt dat belanghebbende in elk geval op dat moment het aanslagbiljet heeft ontvangen.
Is het bezwaarschrift te laat in ingediend?
5. Vast staat dat de dagtekening van het aanslagbiljet 25 februari 2022 is. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 8 april 2022.
5.1.
Het bezwaarschrift is bij de heffingsambtenaar ontvangen op 16 maart 2023. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. Ook als de rechtbank ervan zou uitgaan dat belanghebbende pas op de dag van betaling (8 april 2022) bekend is geworden met het aanslagbiljet is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift eerder op de post is gedaan.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
6. Belanghebbende heeft geen reden voor de termijnoverschrijding in bezwaar aangevoerd. Er is dus geen verontschuldiging voor het verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

7. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Immateriële schadevergoeding

7.1.
De gemachtigde van belanghebbende verzoekt om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De vraag is, áls er al sprake is geweest van spanning en frustratie, in hoeverre dat zo was bij belanghebbende. Gelet op het feit dat de bezwaren veel te laat zijn ingediend en terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, is het niet zonder meer aannemelijk dat belanghebbende nog spanning en frustratie had over de WOZ-beschikkingen en de daarmee samenhangende aanslagen onroerendezaakbelasting.
7.2.
Blijkens de door gemachtigde overlegde volmacht zal een eventueel toe te kennen immateriële schadevergoeding aan gemachtigde toekomen. Uit de stukken blijkt niet dat deze vergoeding aan belanghebbende toekomt. Ook dat is een reden om het verzoek om immateriële schadevergoeding af te wijzen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.