ECLI:NL:RBZWB:2025:3020

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
BRE 23/739 t/m 23/750
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 lid 1 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaren WOZ en OZB wegens termijnoverschrijding afgewezen

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaren tegen WOZ-beschikkingen en de daarbij behorende aanslagen onroerendezaakbelasting over het jaar 2021. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren te laat zijn ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet. Belanghebbende heeft geen verontschuldigbare redenen aangevoerd voor de termijnoverschrijding.

De rechtbank stelt vast dat het aanslagbiljet op 26 februari 2021 is gedateerd en dat het bezwaarschrift pas op 17 maart 2022 is ontvangen, ruim een jaar te laat. Ook de stelling dat het aanslagbiljet pas op de betaaldatum 19 maart 2021 is ontvangen, leidt niet tot tijdige indiening. De rechtbank gaat ervan uit dat het aanslagbiljet tijdig bekend is gemaakt, mede gelet op de betaling.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat belanghebbende nog spanning of frustratie ondervond en omdat een eventuele vergoeding aan de gemachtigde zou toekomen. De beroepen worden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/739 t/m 23/750

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 27 januari 2023. De beroepen zien op de WOZ-beschikkingen voor de objecten [adres 1], [adres 2] en [adres 3] te [plaats 2] over het jaar 2021 vermeld op het aanslagbiljet met [aanslagnummer], alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het bezwaarschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het bezwaarschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan. Als op de enveloppe geen (leesbaar) poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het bezwaarschrift tijdig op de post is gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de bezwaartermijn is ontvangen. De rechtbank wijkt alleen van dit laatste uitgangspunt af als op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het bezwaarschrift later dan de laatste dag van de termijn op de post is gedaan.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het aanslagbiljet op de juiste wijze bekendgemaakt?
4. Het aanslagbiljet heeft een dagtekening 26 februari 2021. Hiertegen heeft de gemachtigde met dagtekening 15 maart 2022, binnengekomen bij de heffingsambtenaar op 17 maart 2022, bezwaar gemaakt.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde bij e-mail van 11 mei 2022 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de termijnoverschrijding.
4.2.
De gemachtigde heeft per e-mail van 14 mei 2022 gereageerd. De gemachtigde vraagt aan de heffingsambtenaar waaruit blijkt dat het aanslagbiljet daadwerkelijk is geprint en wanneer deze ter post is bezorgd en met welk postvervoerdersbedrijf. De rechtbank begrijpt dat de gemachtigde hiermee de tijdige verzending van het aanslagbiljet heeft willen betwisten. Verder stelt de gemachtigde dat zijn klanten de aanslagbiljetten direct na ontvangst aan hem toesturen en hij dan binnen 24 uur bezwaar maakt.
4.3.
De heffingsambtenaar is van mening dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De dagtekening van het aanslagbiljet is 26 februari 2021 en gezien de betaling van de aanslagen vermeld op het aanslagbiljet op 19 maart 2021 is deze ook door belanghebbende ontvangen. Het bezwaarschrift is ruim een jaar na afloop van de bezwaartermijn ontvangen. Het is aan belanghebbende om de (tijdige) verzending van het bezwaarschrift aannemelijk te maken. Verder heeft belanghebbende in bezwaar en beroep geen omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de bekendmaking en de verzending van het aanslagbiljet nu vast is komen te staan dat belanghebbende het totaalbedrag van de aanslagen op 19 maart 2021 heeft voldaan. Hieruit blijkt dat belanghebbende in elk geval op dat moment het aanslagbiljet heeft ontvangen.
Is het bezwaarschrift te laat in ingediend?
5. Vast staat dat de dagtekening van het aanslagbiljet 26 februari 2021 is. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 9 april 2021.
5.1.
Het bezwaarschrift is bij de heffingsambtenaar ontvangen op 17 maart 2022. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. Ook als de rechtbank ervan zou uitgaan dat belanghebbende pas op de dag van betaling (19 maart 2021) bekend is geworden met het aanslagbiljet is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift eerder op de post is gedaan.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
6. De gemachtigde van belanghebbende heeft naast algemene punten over zijn
24-uurs service en dat hij nooit ziek, zwak of misselijk is geen reden opgegeven. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

7. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriële schadevergoeding
7.1.
De gemachtigde van belanghebbende verzoekt om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De vraag is, áls er al sprake is geweest van spanning en frustratie, in hoeverre dat zo was bij belanghebbende. Gelet op het feit dat de bezwaren veel te laat zijn ingediend en terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, is het niet zonder meer aannemelijk dat belanghebbende nog spanning en frustratie had over de WOZ-beschikkingen en de daarmee samenhangende aanslagen onroerendezaakbelasting.
7.2.
Blijkens de door gemachtigde overlegde volmacht zal een eventueel toe te kennen immateriële schadevergoeding aan gemachtigde toekomen. Uit de stukken blijkt niet dat deze vergoeding aan belanghebbende toekomt. Ook dat is een reden om het verzoek om immateriële schadevergoeding af te wijzen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.