Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaren tegen WOZ-beschikkingen en de daarbij behorende aanslagen onroerendezaakbelasting over het jaar 2021. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren te laat zijn ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet. Belanghebbende heeft geen verontschuldigbare redenen aangevoerd voor de termijnoverschrijding.
De rechtbank stelt vast dat het aanslagbiljet op 26 februari 2021 is gedateerd en dat het bezwaarschrift pas op 17 maart 2022 is ontvangen, ruim een jaar te laat. Ook de stelling dat het aanslagbiljet pas op de betaaldatum 19 maart 2021 is ontvangen, leidt niet tot tijdige indiening. De rechtbank gaat ervan uit dat het aanslagbiljet tijdig bekend is gemaakt, mede gelet op de betaling.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat belanghebbende nog spanning of frustratie ondervond en omdat een eventuele vergoeding aan de gemachtigde zou toekomen. De beroepen worden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.