Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beslissing
onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 8 mei 2025 behandelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant de strafzaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van inbraak en diefstal van sieraden en/of een spaarpot bij een slachtoffer in een woning te een woonplaats.
De verdediging voerde een preliminair verweer aan over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat de vervolging reeds was aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland, waar de verdachte op 28 februari 2024 werd voorgeleid bij de rechter-commissaris. Volgens artikel 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is in geval van gelijktijdige vervolgingen bij twee rechtbanken alleen de rechtbank bevoegd die in de rangschikking eerder staat, hier de rechtbank Midden-Nederland.
Hoewel de rechtbank Zeeland-West-Brabant ook bevoegdheid kon ontlenen aan een andere zaak met hetzelfde verdachte, achtte de rechtbank Midden-Nederland exclusief bevoegd. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging en wees de zaak af.
De tenlastelegging betrof het samen met anderen inbreken in een woning en het wederrechtelijk toe-eigenen van sieraden en/of een spaarpot, met gebruikmaking van braak, verbreking of inklimming, strafbaar gesteld in de artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de tenlastelegging omdat rechtbank Midden-Nederland exclusief bevoegd is.