Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarbij behorende kostenvergoeding van zijn woning in de gemeente Oisterwijk. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast op € 725.000, waarna deze werd verlaagd naar € 697.000 na bezwaar. De kostenvergoeding werd echter vastgesteld op een te laag bedrag.
De rechtbank beoordeelde het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar, waarbij belanghebbende en zijn gemachtigde afwezig waren en de heffingsambtenaar niet verscheen. De rechtbank oordeelde dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag was vastgesteld en dat de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd was wegens een onjuiste berekening.
Belanghebbende stelde dat de differentiatie in de proceskostenvergoeding in strijd was met het discriminatieverbod, wat de rechtbank volgde op basis van recente jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechtbank wees echter het beroep af op het punt van de vermenigvuldigingsfactor in de beroepsfase. De redelijke termijn voor behandeling was niet overschreden, zodat geen immateriële schadevergoeding werd toegekend.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor zover deze de kostenvergoeding betrof en stelde de kostenvergoeding vast op € 1.422,26 voor de bezwaarfase en € 113,38 voor de beroepsfase. Tevens werd een dwangsom van € 69 vastgesteld en het griffierecht van € 51 aan belanghebbende toegekend. De rechtbank wees erop dat zij niet bevoegd was om te oordelen over de overmaking van kosten aan derden.