Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
3.Het geding in (sprong)cassatie
4.Differentiatie proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase
B1. Beroep en hoger beroep
B2. Bezwaar en administratief beroep
1
voor zover het om de kosten in beroep en in hoger beroep gaat. [arcering door Rechtbank Noord-Holland]”
Toetsing 20 jaar na invoering
5.Beoordeling van de middelen
Principaal beroep in cassatie
nietstrekten tot “(
herstel van) administratieve fouten en door de inspecteur aangebrachte correcties op posten”, dat in die andere bezwaarprocedures het opstellen van een bezwaarschrift
niet“
meestal geschiedt door een adviseur die al bekend is met het dossier, aangezien hij vaak ook al de aangifte heeft verzorgd of bij een controle aanwezig is geweest” en dat de externe bijstand in die andere bezwaarprocedures voornamelijk
nietgeschiedt “
door administratiekantoren en (medewerkers van) belastingconsulenten en belastingadvieskantoren waarvoor het uurloon varieert tussen € 34,03 en € 113,45” (maar in plaats daarvan door duurdere advocaten).
nietstrekten tot ‘(
herstel van) administratieve fouten en door de inspecteur aangebrachte correcties op posten’. Ik vraag mij echter af of dit een redelijke aanname is. Zal een bezwaarprocedure tegen een niet (geheel) toegekende aanvraag voor de een of andere vergunning niet ook vaak neerkomen op het herstel van administratieve fouten of tot het terugdraaien van door het bestuursorgaan aangebrachte wijzigingen ten opzichte van de aanvraag? En ligt het voorts niet erg voor de hand dat in het overige bestuursrecht het opstellen van een bezwaarschrift ook
‘meestal geschiedt door een adviseur die al bekend is met het dossier’omdat hij of zij al betrokken is geweest bij de aanvraag of bij het indienen van zienswijzen? En ten slotte: is het redelijk te veronderstellen dat ‘
administratiekantoren en (medewerkers van) belastingconsulenten en belastingadvieskantoren’die in de bezwaarfase van een fiscaal geschil rechtsbijstand verlenen goedkoper zijn dan degenen die in overige bestuursrechtelijke geschillen hun cliënt bijstaan in de bezwaarfase? Afgezien van de no-cure-no-pay-praktijk, kan ik mij hierbij weinig voorstellen. Ik meen daarom dat ook bij een welwillende lezing de onderbouwing van het tariefverschil tekort schiet.