ECLI:NL:RBZWB:2025:3323
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen IB/PVV 2016 en 2017 en compensatieverdrag Duitsland
Belanghebbende woonde in 2016 en 2017 in Nederland en was gedetacheerd in Duitsland. Hij deed in zijn aangiften IB/PVV een beroep op de compensatieregeling uit het protocol bij het belastingverdrag met Duitsland, waarbij hij Duitse loonbelasting vermeldde die hij had betaald.
De inspecteur legde navorderingsaanslagen op omdat de compensatie volgens hem te hoog was vastgesteld. De inspecteur baseerde zijn berekening op de Duitse belastingaanslagen die lagere bedragen aan verschuldigde belasting vermeldden dan belanghebbende had opgegeven. Belanghebbende voerde aan dat deze Duitse aanslagen voorlopig waren en dat de compensatie dus niet op die bedragen mocht worden gebaseerd.
De rechtbank oordeelde dat de voorlopige status van de Duitse aanslagen slechts procedureel is en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor hogere belastingbedragen. Ook stelde de rechtbank vast dat de aftrekposten in de Duitse aanslagen terecht aan belanghebbende waren toegerekend. Verder was er geen sprake van een tekortkoming in de zorgplicht van de inspecteur, en de stallingsregeling kon niet worden toegepast omdat deze niet ziet op premie volksverzekeringen.
De beroepen werden ongegrond verklaard, waardoor de navorderingsaanslagen in stand blijven en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2016 en 2017 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven onverminderd van kracht.