ECLI:NL:RBZWB:2025:3422

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
BRE 23/2424
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrechtHoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond op kostenvergoeding parkeerbelasting bij samenhangende bezwaarzaken

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en kreeg een kostenvergoeding toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank oordeelt dat vanwege het bijwonen van een hoorzitting ook een procespunt toegekend moet worden. Omdat er sprake is van drie samenhangende zaken met identieke bezwaarschriften en gelijktijdige behandeling, geldt samenhang voor de gehele procesgang.

De rechtbank past het hogere tarief van €647 toe, zoals door de Hoge Raad is vastgesteld, en berekent een aanvullende kostenvergoeding voor de bezwaarfase van €107,84. De totale vergoeding voor de bezwaarfase komt daarmee op €255,84. Daarnaast wordt het door belanghebbende betaalde griffierecht van €50 vergoed.

Voor de beroepsfase kent de rechtbank een proceskostenvergoeding toe van €151,17, eveneens gebaseerd op samenhang en een lichte zaak. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de kostenvergoeding betreft en bepaalt dat wettelijke rente gaat lopen indien betaling niet tijdig plaatsvindt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de kostenvergoeding voor de bezwaarfase en beroepsfase wordt verhoogd, inclusief vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van 14 maart 2023 over de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] . Het beroep is beperkt tot de hoogte van de aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar alleen een vergoeding toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift van € 148 (1 punt met een waarde per punt van € 296 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat gemachtigde op de (telefonische) hoorzitting is verschenen. Uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) volgt dat er een procespunt moet worden toegekend voor het bijwonen van een hoorzitting. Het beroep is gegrond.
2.1.
De heffingsambtenaar stelt dat er voor de hoorzitting sprake is van samenhangende zaken. Er dient slechts eenmaal een kostenvergoeding te worden toegekend voor het behandelen van meerdere bezwaarzaken tijdens een hoorzitting. De rechtbank overweegt als volgt.
2.2.
Er is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid van het Bpb wanneer er (i) sprake is van vergelijkbare beroepschriften en inhoudelijk sterk vergelijkbare, nagenoeg identieke werkzaamheden en (ii) in alle dossiers sprake is van hetzelfde geschilpunt [1] . Indien sprake is van samenhang, dan geldt deze voor de gehele procesgang [2] .
2.3.
De rechtbank overweegt dat (de gemachtigde) van belanghebbende in de zaken BRE 23/2296, BRE 23/2423, BRE 23/2424 drie identieke bezwaarschriften en beroepschriften heeft ingediend, waarvan alleen de gegevens van belanghebbende en de betaaloverzichten verschillen. In geen van deze geschriften zijn specifiek op de situatie toegespitste gronden opgenomen. De zaken zijn daarnaast gelijktijdig behandeld tijdens de hoorzitting in bezwaar. Ook de rechtbank behandelt de zaken gelijktijdig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken in zowel bezwaar als beroep in het kader van een (proces)kostenveroordeling.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar al een kostenvergoeding toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. Daarbij is niet uitgegaan van samenhang. Samenhang geldt echter voor de gehele procesgang. Verder heeft de Hoge Raad inmiddels geoordeeld dat het tarief van € 296 discriminatoir is en daarom moet worden uitgegaan van het hoge tarief van € 647 als de kostenvergoeding in geschil is. [3] De vergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift kan dan worden berekend op € 107,84 (1 punt met een waarde per punt van € 647, een wegingsfactor 0,5, verdeeld over drie samenhangende zaken). De rechtbank gaat daarbij net als de heffingsambtenaar uit van een lichte zaak. De heffingsambtenaar heeft een hogere vergoeding toegekend. Partijen hebben in beroep de hoogte van die kostenvergoeding niet betwist en de heffingsambtenaar heeft ook niet verzocht om interne compensatie. De rechtbank handhaaft om die reden dit deel van de kostenvergoeding en vult deze aan.
2.5.
De rechtbank stelt de aanvullende kostenvergoeding voor de bezwaarfase op grond van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 107,84 (1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 647, een wegingsfactor 0,5, verdeeld over drie samenhangende zaken). In totaal bedraagt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase dan € 255,84. Indien een deel van het bedrag al is betaald, dan komt dit in mindering op het bedrag.
2.6.
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden. Verder heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De rechtbank stelt deze vast op € 151,17 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907, een wegingsfactor 0,5, verdeeld over drie samenhangende zaken). De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe voor de beroepsprocedure [4] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van 14 maart 2023 voor wat betreft de beslissing over de kostenvergoeding;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 255,84;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de beroepsfase tot een bedrag van € 151,17;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan belanghebbende moet vergoeden;
  • beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 3 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439 (rechtsoverweging 2.1.2).
2.Vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439 (rechtsoverweging 2.1.3).
3.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
4.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 (rechtsoverweging 1.2.3. onder c van de Bijlage: richtsnoer proceskostenvergoeding).