ECLI:NL:RBZWB:2025:3523

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
5 juni 2025
Zaaknummer
BRE 23/12538
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over verrekening belastingaanslagen

De ontvanger van de Belastingdienst had op 14 december 2022 een mededeling verzonden betreffende de verrekening van een vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 met openstaande bedragen op diverse aanslagen uit 2015, 2016 en 2017. Belanghebbende maakte hiertegen bezwaar en stelde op 22 december 2023 beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde zich echter kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, omdat de belastingrechter in principe niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet, tenzij voor bepaalde besluiten een uitzondering geldt. De verrekening van bedragen valt niet onder deze uitzonderingen. De rechtbank wees erop dat geschillen over verrekening aan de burgerlijke rechter moeten worden voorgelegd.

Daarnaast overwoog de rechtbank dat het beroep tegen de verminderingsbeschikking voor het jaar 2016 niet ontvankelijk is, omdat dit een ambtshalve vermindering betrof naar aanleiding van een eerdere beroepsprocedure en belanghebbende het beroep had ingetrokken. De rechtbank kwam daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling en zag geen aanleiding tot terugbetaling van griffierecht. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 6 juni 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de verrekening van belastingaanslagen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12538

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. De ontvanger heeft op 14 december 2022 een mededeling aan belanghebbende verzonden van de verrekening van een vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 met een nog openstaand bedrag op die aanslag en een te betalen bedrag op de aanslag IB/PVV 2015, de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2015 en de aanslagen motorrijtuigenbelasting 2016 en 2017 met aanslagnummers [aanslagnummer 1], [aanslagnummer 2] en [aanslagnummer 3]. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 22 december 2023, ontvangen door de rechtbank op 28 december 2023, beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
2.1.
De rechtbank overweegt dat, voor zover belanghebbende bedoeld heeft beroep in te stellen tegen de verminderingsbeschikking voor het jaar 2016 van 14 december 2022, hiertegen geen bezwaar of beroep mogelijk is. Dit is een ambtshalve vermindering naar aanleiding van een beroepsprocedure tegen de aanslag IB/PVV 2016. Belanghebbende heeft het beroep vervolgens ingetrokken. Het is niet mogelijk om nogmaals beroep in te stellen.
2.2.
De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verrekening. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te betalen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 6 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.