Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
.Uit artikel 7.8, tweede lid, van het Bkl zou volgen dat alleen activiteiten voor behoud en herstel van het NNB zijn toegestaan. Het pad draagt volgens eiser niet bij aan de doelstellingen van het NNB. Volgens eiser blijkt dat het college geen rekening heeft gehouden met zijn belangen, omdat hij niet wordt genoemd in de besluiten. Het college gaat geheel voorbij aan de belangen van eiser
.Hierdoor kan geen sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
.De rechtbank overweegt dat het college meerdere adviezen aan deze beoordeling ten grondslag heeft gelegd: akkoord ruimtelijk oordeel, verkeer, ecologie, stedelijk water en een toets aan de Beleidsregels planologische kruimelgevallen 2024 [9] . In het bestreden besluit heeft het college een belangenafweging gemaakt. Met betrekking tot de derving van het woongenot en overlast van eiser overweegt de rechtbank dat de feitelijke situatie niet verandert door de BOPA. Het pad ligt hier sinds 2008 en eiser heeft de woning gekocht in 2016. De huidige overlast is niet onevenredig en het college heeft redelijkerwijs meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van de andere bewoners bij het behoud van het pad en het algemeen belang, dan aan het belang van eiser. Concluderend oordeelt de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van in totaal € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.294,- aan proceskosten aan eiser.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
[…]