Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Breda, omdat het in rekening gebrachte bedrag aan kosten (€ 57,75) hoger was dan het bedrag dat volgens de Verordening parkeerbelastingen Breda 2023 mocht worden geheven (€ 52,75).
De rechtbank oordeelde dat het aanvullende beroepschrift van belanghebbende met een nadere stelling over de kostenraming te laat was ingediend en daarom buiten beschouwing bleef. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd, maar het te hoge kostenbedrag moest worden gecorrigeerd.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, verminderde de naheffingsaanslag tot € 55,05 (bestaande uit € 52,75 kosten en € 2,30 naheffing) en kende een proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen vanwege het geringe financiële belang.
De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.