ECLI:NL:RBZWB:2025:3862

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 juni 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
BRE 23/11840 t/m 23/11844
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 AwbArt. 6:17 AwbArt. 8:54 AwbArt. 366a Wetboek van StrafvorderingVoorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring navorderingsaanslagen inkomstenbelasting afgewezen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2009. De rechtbank had op 1 oktober 2024 de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende stelde dat hij zelf op de hoogte had moeten worden gesteld van de uitspraak op bezwaar, niet zijn voormalig gemachtigde.

De rechtbank overwoog dat verzending van de uitspraak aan de gemachtigde, een professioneel rechtsbijstandverlener, voldoet aan de vereisten van bekendmaking. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist slechts in uitzonderlijke gevallen dat de belastingplichtige zelf wordt geïnformeerd. Er waren geen omstandigheden die daartoe noopten.

Daarom was het verzet ongegrond en bleef de eerdere uitspraak in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/11840 t/m 23/11844

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 op het verzet van

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen zien op de (vermeende) navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2009 met aanslagnummers [aanslagnummer 1], [aanslagnummer 2], [aanslagnummer 3], [aanslagnummer 4] en [aanslagnummer 5].
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 oktober 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
Gronden van verzet
3. Belanghebbende is het niet eens met de uitspraak. Belanghebbende verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] en stelt zich op het standpunt dat hij over de inhoudelijke kennis beschikt en niet zijn (voormalig) gemachtigde. Om die reden had de inspecteur belanghebbende zelf op de hoogte moeten brengen van de uitspraak op bezwaar.
3.1.
Belanghebbende stelt dat in het Voorschrift algemene wet bestuursrecht 1997 staat dat bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende. Bovendien volgt uit artikel 366a Wetboek van Strafvordering dat de uitspraak aan belanghebbende moet worden toegezonden, aangezien er sprake is van boetes.
3.2.
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst er hem op wijst dat hij altijd zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen belastingzaken. Het toezenden van een uitspraak aan de gemachtigde is daar niet mee in overeenstemming. Belanghebbende vindt het daarnaast willekeur dat elke briefwisseling van de inspecteur zowel naar belanghebbende als de gemachtigde gaat, behalve de uitspraak op bezwaar.
Het verzet is ongegrond
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Ingeval een gemachtigde een bezwaarschrift indient namens de belastingplichtige moet de belastingplichtige als indiener worden aangemerkt. [3] Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met de belastingplichtige in beginsel via de gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt gezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. [4] Daarbij is niet doorslaggevend of het besluit daarnaast ook aan de belastingplichtige zelf is gestuurd. [5] Dit geldt ook voor de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar. [6]
4.2.
Onder omstandigheden kan het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengen dat de inspecteur de belastingplichtige mededeling doet van de aan de gemachtigde verzonden uitspraak op bezwaar. Dat is bijvoorbeeld aan de orde ingeval de gemachtigde geen beroepsmatige rechtsbijstandsverlener is [7] , dan wel in andere (uitzonderlijke) gevallen waarin de inspecteur redelijkerwijs moet veronderstellen dat het achterwege laten van zodanige mededeling de rechtspositie van de belastingplichtige schaadt. De enkele omstandigheid dat het bezwaar niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard, betekent niet dat het zorgvuldigheidsbeginsel eist dat een mededeling als hier bedoeld aan de belastingplichtige wordt gedaan. [8]
4.3.
De rechtbank concludeert, gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen, dat de door belanghebbende aangehaalde wet- en regelgeving en jurisprudentie niet van toepassing zijn.
De inspecteur kon volstaan met verzending van de uitspraak op bezwaar naar de gemachtigde. Immers ligt het voor de hand dat de voormalig gemachtigde – een professioneel rechtsbijstandverlener – is ingeschakeld als deskundige en belanghebbende informeert over de genomen beslissing(en). Niet valt dan in te zien dat de inspecteur redelijkerwijs moet veronderstellen dat het achterwege laten van toezending aan belanghebbende zijn rechtspositie schaadt. Dezelfde redenering geldt voor de aangevoerde omstandigheid dat eerdere correspondentie ook aan belanghebbende is gericht. De rechtbank is verder niet gebleken van andere omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat de uitspraak op bezwaar ook naar belanghebbende had moeten worden gestuurd.
Conclusie en gevolgen
5. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 oktober 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2009.
3.Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.
4.Dat volgt uit artikel 2:1 in Pro samenhang met artikel 6:17 van Pro de Awb.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5722, alsmede HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0961.
6.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:393.
7.Hoge Raad 16 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5625
8.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:393.